Acht minuten die een levensbeschouwing verbrijzelden

Een 88-jarige emeritus hoogleraar filosofie ligt op de intensive care van het Amsterdam UMC. Drie weken eerder is zijn hart stilgevallen. Acht minuten lang zou hij klinisch dood zijn geweest, voordat artsen hem terughaalden. Vanuit zijn ziekenhuisbed vertelt hij wat hij in die minuten heeft ervaren.

Het is een aangrijpende getuigenis, niet alleen vanwege de nabijheid van de dood, maar vooral vanwege de botsing tussen de ervaring en het levensverhaal van de man die haar beschrijft. Hij presenteert zichzelf als iemand die veertig jaar hoogleraar filosofie is geweest en zich heeft gespecialiseerd in godsdienstfilosofie. Religie was voor hem geen open vraag, maar een illusie die filosofisch, psychologisch en evolutionair kon worden verklaard.

Hij had niet slechts zijn geloof verloren. Hij had van het ongeloof zijn intellectuele identiteit gemaakt.

Van Kampen naar Amsterdam

De man vertelt dat hij in 1937 werd geboren in Kampen, binnen een streng gereformeerd gezin. Zijn vader was ouderling, zijn moeder leefde vanuit een vanzelfsprekende godsvrucht. God was in zijn jeugd geen abstract idee, maar een voortdurende aanwezigheid. Dat betekende zowel de warmte van gezien worden als de angst dat niets verborgen bleef.

Het breekpunt kwam volgens hem in 1953, toen zijn oudere broer tijdens de watersnoodramp verdronk. De familie en de gemeente hadden gebeden, maar het water kwam toch. De jonge man sprak zijn geloofsverlies niet openlijk uit. Hij begroef het onder studie, ambitie en intellectuele ontwikkeling.

In Amsterdam ontdekte hij een wereld waarin twijfel niet als zonde, maar als bevrijding werd beschouwd. Eerst liet hij de kerk los, daarna het gebed en uiteindelijk God zelf. Wat mogelijk begon als een reactie op rouw en teleurstelling, werd later uitgebouwd tot een samenhangend filosofisch systeem.

Dat maakt deze getuigenis psychologisch interessant. Zijn atheïsme was volgens zijn eigen terugblik niet alleen het resultaat van rationele argumentatie. Onder de argumenten lag ook een gewonde jongen die zijn broer had verloren en niet opnieuw afhankelijk wilde zijn van een God die niet ingreep.

Dat maakt zijn filosofie niet automatisch onjuist. Het laat wel zien dat levensbeschouwingen zelden uitsluitend uit redeneringen bestaan. Ook wat wij als zuiver rationeel beschouwen, kan verbonden zijn met verlies, angst, loyaliteit, opstandigheid en de behoefte om onszelf te beschermen.

Geen leerstelling, maar een aanwezigheid

Tijdens de hartstilstand ervoer hij naar eigen zeggen geen leegte of uitdoving. Hij beschrijft licht en een aanwezigheid die hij onmiddellijk herkende als Jezus.

Voor hem was dat geen conclusie die hij na afloop uit de ervaring trok. De herkenning zou zich rechtstreeks hebben opgedrongen, voorafgaand aan redenering of interpretatie. Hij vergelijkt de intensiteit van het ervaren licht met het verschil tussen het woord ‘water’ en de oceaan. Het woord verwijst ergens naar, maar dekt de werkelijkheid niet.

Dat is een bekend probleem bij verslagen van bijna-doodervaringen. Mensen proberen een ervaring die zij als overweldigend, onmiddellijk en werkelijk hebben beleefd om te zetten in taal. Woorden als licht, liefde, eenheid of aanwezigheid klinken gemakkelijk vertrouwd of religieus, terwijl de ervaarders vaak benadrukken dat die woorden ontoereikend zijn.

De hoogleraar is zich bewust van de neurologische tegenargumenten. Hij noemt zuurstoftekort, ontregelde hersenactiviteit en het terugkeren van diepgewortelde culturele beelden. Het zijn verklaringen die hij zelf jarenlang zou hebben gebruikt om dergelijke ervaringen te relativeren.

Na zijn eigen ervaring accepteert hij die verklaringen niet meer. Hij zegt dat de ervaring een samenhang, precisie en werkelijkheidsgehalte bezat die hij niet als hallucinatie kan herkennen.

Daar ontstaat een belangrijk onderscheid. Dat iemand een ervaring met absolute zekerheid beleeft, bewijst nog niet dat zijn interpretatie objectief juist is. Maar het omgekeerde geldt eveneens. Het feit dat een ervaring tijdens een ontregeling van het brein plaatsvindt, bewijst nog niet dat zij zonder betekenis is of volledig is wegverklaard.

De medische verklaring en de existentiële betekenis hoeven elkaar niet volledig uit te sluiten.

De levensschouw

Het meest indringende deel van de getuigenis is niet de ontmoeting met Jezus, maar wat hem vervolgens wordt getoond. Hij ziet zijn leven terug, niet als een juridisch oordeel, maar vanuit het verdriet om wat hij niet heeft gezien.

Hij ziet hoe hij reageerde toen zijn dochter Lisbeth opnieuw gelovig werd. In plaats van naar haar ervaring te luisteren, verklaarde hij haar bekering vanuit de psychologie. Daarmee beschermde hij zijn eigen wereldbeeld, maar sloot hij tegelijkertijd een deur in de relatie met zijn dochter.

Ook ziet hij zijn invloed op zijn zoon Willem. Hij had hem geleerd gevoelens te analyseren en in begrippen te verpakken. Dat leek verstandig en beheerst, maar had volgens hem ook een prijs. Zijn zoon leerde pijn observeren zonder haar werkelijk toe te laten en relaties te onderhouden zonder zich volledig te laten zien.

De hoogleraar formuleert zijn inzicht scherp: zijn vader had hem uit liefde een wereld gegeven met te veel gewicht. Zelf had hij zijn kinderen een wereld gegeven zonder ramen. Hij dacht dat hij de fout van zijn vader had gecorrigeerd, maar had slechts een spiegelbeeldige fout gemaakt.

Dit is misschien de kern van de getuigenis. Niet de overgang van atheïsme naar christelijk geloof, maar de ontdekking dat een levensbeschouwing kan veranderen in een verdedigingswerk. Een systeem kan intellectueel verfijnd en intern consistent zijn, terwijl het ons tegelijkertijd afschermt van verdriet, nabijheid en werkelijk contact.

Wat werd er eigenlijk verbrijzeld?

De man zegt dat de ervaring alles vernietigde waarop hij zijn intellectuele leven had gebouwd. Maar bij nadere beschouwing werd niet noodzakelijk zijn volledige filosofische kennis vernietigd. Wat instortte, was zijn zekerheid dat zijn begrippen de grenzen van de werkelijkheid bepaalden.

Hij had de dood als uitdoving beschouwd. Religieuze ervaringen waren voor hem producten van het brein. De vraag of er iets aan het denken voorafgaat of het denken overstijgt, had hij als een schijnvraag behandeld.

Tijdens zijn bijna-doodervaring werd juist die buitengesloten mogelijkheid voor hem de meest onmiddellijke werkelijkheid.

Hier raakt zijn verhaal aan een oud filosofisch probleem. Het denken kan de wereld onderzoeken, ordenen en bekritiseren, maar kan het ook zijn eigen grenzen vaststellen? Kunnen wij door redenering bepalen dat alleen datgene bestaat wat binnen onze bestaande begrippen past? Of maken we dan van onze kaart ongemerkt het terrein?

De getuigenis levert geen filosofisch bewijs voor het bestaan van God. Zij levert ook geen empirisch bewijs dat Jezus zich werkelijk aan deze man heeft geopenbaard. Daarvoor is een persoonlijk verslag onvoldoende.

Maar het verhaal vormt wel een ernstige uitdaging aan een te gemakkelijke vorm van reductionisme. Een verklaring van de hersenprocessen tijdens een bijna-doodervaring is nog niet automatisch een volledige verklaring van wat de ervaring voor de persoon is, welke inzichten zij oproept en welke duurzame veranderingen eruit volgen.

De vrucht van de ervaring

Een indrukwekkende ervaring kan misleidend zijn. Intensiteit is geen garantie voor waarheid. Daarom moet men niet alleen vragen wat iemand heeft gezien, maar ook wat de ervaring daarna in diens leven teweegbrengt.

In deze getuigenis zien we geen nieuwe theorie, geen spiritueel systeem en geen poging anderen te imponeren met bijzondere kennis. De ervaring leidt tot berouw, verzoening en een hernieuwd vermogen om zich emotioneel te openen.

De man belt zijn dochter. Zij vertelt dat ze jarenlang voor hem heeft gebeden. Hij spreekt twee uur met zijn zoon, ditmaal zonder de afstandelijke toon waarmee hij mensen altijd op afstand hield. Zijn zoon zegt dat hij zijn hele leven op zo’n gesprek heeft gewacht.

De bijna-doodervaring brengt hem dus niet alleen tot een andere opvatting over het hiernamaals. Zij maakt zichtbaar hoe hij in het hier en nu heeft geleefd.

Dat is een betekenisvoller criterium dan de spectaculaire inhoud alleen. Wordt iemand na zo’n ervaring grootser en stelliger, of juist bescheidener? Ontstaat er een nieuwe dogmatiek, of groeit het vermogen om schuld te erkennen, liefde toe te laten en relaties te herstellen?

In dit verhaal lijkt de ervaring niet tot zelfverheffing te leiden, maar tot het afleggen van een pantser.

Ervaring en bewijs

Voor de spreker zelf is de ervaring beslissend. Hij zegt dat je een plek die je hebt bezocht niet meer kunt ‘ontweten’. Dat is begrijpelijk. Wie iets als werkelijker dan het gewone bewustzijn heeft ervaren, kan daarna moeilijk terugkeren naar de overtuiging dat er niets is gebeurd.

Voor anderen blijft de situatie anders. Wij hebben geen rechtstreekse toegang tot zijn ervaring. Wij horen een herinnering, geformuleerd in taal, ingebed in een christelijke jeugd en verteld op een moment van ziekte en naderend levenseinde.

Daarom kunnen wij onderscheid maken tussen drie niveaus.

Op het eerste niveau staat de ervaring zelf: licht, aanwezigheid, herkenning en een terugblik op het eigen leven.

Op het tweede niveau staat de interpretatie: de aanwezigheid was Jezus en de ervaring onthulde iets over God en het leven na de dood.

Op het derde niveau staan de levensgevolgen: berouw, verzoening, emotionele openheid en het verdwijnen van de doodsangst.

Over het eerste niveau kan alleen de ervaarder rechtstreeks spreken. Over het tweede niveau blijft discussie mogelijk. Het derde niveau kunnen anderen gedeeltelijk waarnemen aan de manier waarop iemand na de ervaring leeft en handelt.

Door die niveaus uit elkaar te houden, hoeven we de getuigenis niet onmiddellijk als bovennatuurlijk bewijs te aanvaarden, maar ook niet reflexmatig als een betekenisloze hallucinatie af te wijzen.

Het licht is er toch

Aan het einde herhaalt de man een eenvoudige zin: ‘Het licht is er toch.’

Die woorden ontlenen hun kracht niet aan een nieuw argument. Ze komen uit de mond van iemand die naar eigen zeggen een groot deel van zijn leven heeft besteed aan het ontmantelen van precies datgene wat hij nu als werkelijk beschouwt.

Misschien vertelt deze getuigenis ons uiteindelijk minder over de overwinning van religie op atheïsme dan over de kwetsbaarheid van ieder gesloten wereldbeeld. Zowel geloof als ongeloof kan een levende vraag veranderen in een systeem dat ons beschermt tegen onzekerheid.

De ervaring van deze hoogleraar hoeft ons niet te dwingen zijn conclusie over te nemen. Zij kan ons wel uitnodigen onze eigen zekerheden te onderzoeken.

Welke ervaringen hebben wij bij voorbaat onmogelijk verklaard? Welke vragen hebben wij schijnvragen genoemd omdat het antwoord ons bestaande systeem zou bedreigen? En hoeveel van onze intellectuele overtuigingen zijn werkelijk vrije conclusies, en hoeveel zijn muren die ooit zijn gebouwd rond een oude wond?

De hoogleraar dacht dat hij God had losgelaten. Aan het einde van zijn leven ontdekte hij, in zijn eigen woorden, dat hij vooral zelf nooit meer had omgekeken.

Of zijn ervaring een venster op een werkelijkheid voorbij de dood was, kan deze getuigenis niet definitief bewijzen. Maar als menselijk document laat zij iets zien wat nauwelijks minder belangrijk is: soms moet een heel wereldbeeld instorten voordat iemand opnieuw kan zien wie er al die tijd naast hem stond.

Leave a comment