Viktor von Gebsattel: wanneer de wereld zelf dwangmatig wordt – een bijzondere OCD visie!

We zijn een pilot gestart op basis van ons innerlijke laboratorium bij OCD-patiënten. In de vorige post de eerste resultaten van deze pilot. Hier een theoretisch fundament. Ook interview ik Menno over de ideeën van deze grote psychiater.

Viktor Emil von Gebsattel (1883-1976) was een Duitse arts, psychiater, psychotherapeut en filosoof, en een van de grondleggers van de fenomenologisch-antropologische psychiatrie. Hij behoorde tot een generatie psychiaters, met onder anderen Ludwig Binswanger, Eugène Minkowski en Erwin Straus, die zich niet tevredenstelde met de vraag welke symptomen iemand had. Zij wilden begrijpen hoe de wereld eruitziet voor iemand die depressief, psychotisch, angstig of dwangmatig is geworden. Gebsattel werd later hoogleraar in Würzburg en geldt als een pionier van de medische psychologie en de medische antropologie (Welie, 1995).

Voor het begrip van de obsessief-compulsieve stoornis (OCD) is zijn werk bijzonder waardevol, omdat hij in 1938 een vraag stelde die in de moderne psychiatrie gemakkelijk uit beeld raakt. Hij vroeg niet in de eerste plaats waarom iemand tien keer controleert of een deur op slot is, eindeloos zijn handen wast of een gedachte blijft herhalen. Hij vroeg een stap eerder: wat moet er in de verhouding tussen mens en wereld veranderd zijn voordat zulke handelingen überhaupt begrijpelijk worden? Daarmee verschuift het perspectief ingrijpend. Dwang is voor Gebsattel geen verzameling vreemde gedachten en rituelen die bovenop een verder intact mens is komen te liggen. Wanneer de stoornis diep genoeg ingrijpt, leeft de patiënt in een wereld die anders georganiseerd is geraakt. De titel van zijn beroemde studie is dan ook precies gekozen: Die Welt des Zwangskranken, de wereld van de dwangzieke (Gebsattel, 1938).

Van symptoom naar leefwereld

De hedendaagse diagnostiek ordent OCD vanuit symptomen: obsessies, compulsies, vermijding, tijdsbeslag, lijdensdruk en functionele beperkingen. Dat is terecht, want het maakt betrouwbare diagnostiek en vergelijkbaar onderzoek mogelijk. Gebsattel probeert echter iets anders te vatten, namelijk hoe iemand met ernstige dwang de werkelijkheid van binnenuit aantreft. Dat is de kern van de fenomenologische beweging: niet meteen verklaren waar een symptoom vandaan komt, maar eerst zo nauwkeurig mogelijk beschrijven hoe iets verschijnt.

Voor de meeste mensen is een deur eenvoudig een deur. Je draait de sleutel om, voelt of hoort het slot en loopt weg. Voor iemand met controledwang krijgt dezelfde deur een andere fenomenologische structuur. Zij blijft als het ware onaf, er blijft een mogelijkheid aan kleven. Misschien heb ik niet echt gekeken, misschien zat het slot niet goed, misschien was mijn gevoel van zekerheid onbetrouwbaar, of misschien herinner ik mij alleen dat ik controleerde zonder dat het werkelijk gebeurde. Het fysieke object is niet veranderd, maar de wereld waarin het verschijnt wel.

Gebsattel verzet zich daarom tegen een psychologie die de dwanghandeling geïsoleerd beschouwt. Zijn uitgangspunt is de verandering van het gehele in-de-wereld-zijn. Latere fenomenologische auteurs hebben juist dit aspect opnieuw naar voren gehaald en de obsessief-compulsieve toestand beschreven als een negatieve transformatie van de leefwereld (Fukuda, Tamelini & Messas, 2023). Voor onze benadering is dat een belangrijke stap. De patiënt weet rationeel vaak heel goed dat de deur waarschijnlijk dicht is. Het probleem is geen tekort aan informatie, maar een verandering in de manier waarop die informatie wordt beleefd.

Het verdwijnen van het vanzelfsprekende

Een van Gebsattels scherpste observaties is dat uit de wereld van de dwangpatiënt het onschuldige, het vanzelfsprekende en het natuurlijke verdwijnt, das Harmlose, Selbstverständliche und Natürliche. Het is misschien een van de beste korte fenomenologische beschrijvingen van OCD die er bestaan.

Ons dagelijks leven functioneert alleen omdat vrijwel alles zonder verdere inspectie wordt aangenomen. Ik steek mijn sleutel in mijn zak en weet dat hij daar zit. Ik sluit een deur en ga verder. Ik raak een tafel aan zonder mij af te vragen wat er de afgelopen week op heeft gelegen, en ik verstuur een e-mail zonder hem daarna woord voor woord te reconstrueren op zoek naar een mogelijke belediging. Die vanzelfsprekendheid is geen intellectuele conclusie. Zij ligt vóór elke conclusie en vormt de stille bodem waarop handelen mogelijk is.

Bij OCD wordt juist die bodem poreus. Waar de gezonde mens verdergaat, verschijnt bij de dwangpatiënt een “ja, maar”: misschien toch, hoe weet je het zeker, kijk nog één keer, denk het nog eenmaal helemaal door. De wereld heeft haar onschuld verloren. Hier komt Gebsattel opvallend dicht bij wat wij in onze oefengroep telkens terugzien: het probleem zit niet alleen in een specifieke angstinhoud, maar in het verloren vermogen iets onafgesloten te laten en toch verder te gaan.

De fysiognomie van de wereld en de rol van walging

Gebsattel gebruikt hiervoor een taal die tegenwoordig ongewoon klinkt. Hij spreekt over de fysiognomie van de wereld, en bedoelt daarmee dat dingen zich nooit als neutrale objecten aan ons voordoen. Een donkere steeg is dreigend, een slaapkamer veilig, een voorwerp aantrekkelijk, een lichaam weerzinwekkend. Wij nemen geen losse geometrische vormen of chemische stoffen waar; de wereld draagt onmiddellijk betekenis.

Bij de ernstige dwangpatiënten die Gebsattel beschrijft, krijgt die betekenisverlening een steeds negatiever karakter. Gewone dingen raken geladen met vuil, besmetting, bederf, lichamelijke afscheiding, ziekte en dood. Kleding, voedsel, zakdoeken, andere mensen en zelfs de eigen lichaamsgeur gaan deel uitmaken van een uitdijend netwerk van verontreiniging. Een aanvankelijk afgebakend gevaar blijft niet op zijn plaats maar breidt zich uit: eerst wordt een object besmet, dan alles wat dat object aanraakt en ten slotte de ruimte waarin het zich bevindt. Wat gisteren nog veilig was, kan morgen in het systeem worden opgenomen. Gebsattel ziet hierin meer dan smetvrees. De dingen komen niet langer vanzelfsprekend tegemoet, zij stoten af.

Daarom krijgt walging (Ekel) bij hem zo’n centrale plaats. Hij spreekt van een fobische walging, die in de ernstigste gevallen niet langer een reactie op een bepaald vies object is, maar bijna de grondkleur waaronder de wereld verschijnt. De natuurlijke aantrekkingskracht en vertrouwdheid van gewone dingen nemen af, terwijl vuil, ontbinding, geur en besmetting zich opdringen. Dat is opmerkelijk, omdat de OCD-literatuur decennialang vooral angst centraal stelde. Inmiddels is aangetoond dat walging, met name bij contaminatie-OCD, een zelfstandige en belangrijke rol speelt (Olatunji et al., 2010). Gebsattels klinische observaties waren in dit opzicht vooruitziend, al mogen we zijn filosofische verklaring niet verwarren met hedendaagse empirische theorie.

Eidos en anti-eidos

Gebsattel gaat echter nog verder. Vuil is voor hem niet alleen vuil; ontbinding is het zichtbare beeld van een fundamenteler proces. Om dat te benoemen introduceert hij zijn moeilijkste en misschien belangrijkste begrip: het anti-eidos.

Eidos betekent vorm. De levende mens is voor Gebsattel geen statisch voorwerp, maar een wezen dat zich voortdurend vormt. Een gesprek ontwikkelt zich, een handeling bereikt haar doel, een dag krijgt vorm en een levensverhaal krijgt richting. Vanuit het heden bewegen wij voortdurend een toekomst in. Tegenover deze vormende beweging plaatst Gebsattel het anti-eidos: de krachten van ontbinding, verval, vormverlies en desintegratie. In de dwangwereld krijgt het anti-eidos de overhand. Dat verontreiniging, bederf, schuld, lichamelijk verval en verrotting zulke krachtige thema’s zijn, is volgens hem geen toeval. Het zijn de concrete beelden waarin een dieper vormverlies zichtbaar wordt. Hij verbindt de dwangwereld expliciet met Verunreinigung, Verderbnis, Verwesung en Entwerden: vervuiling, verderf, ontbinding en een soort on-worden.

Voor moderne oren kan dit metafysisch klinken, en het is daarom belangrijk Gebsattel hier zorgvuldig te lezen. Het anti-eidos is geen aantoonbare biologische kracht en hij levert er geen empirische theorie van OCD mee. Het is een antropologisch begrip waarmee hij probeert te benoemen wat zijn klinische observaties met elkaar verbindt. De hedendaagse fenomenologische psychopathologie heeft het begrip opnieuw opgepakt: Fukuda, Tamelini en Messas (2023) beschrijven OCD vanuit de spanning tussen vormende en oplossende tendensen en noemen Gebsattels anti-eidos, naast het werk van Straus (1938, 1948), als een van de vertrekpunten van hun model. Voor ons is vooral één aspect van belang: een levend proces moet door kunnen gaan, en bij OCD raakt die beweging verstoord.

Dwang als stoornis van het worden

Hiermee komen we bij wat ik het sterkste deel van Gebsattels analyse vind. OCD is voor hem uiteindelijk een stoornis van het worden in de tijd. Die gedachte ontwikkelde hij al in 1928 in Zeitbezogenes Zwangsdenken in der Melancholie en werkte hij later verder uit in Die Welt des Zwangskranken (1938) en Die Störungen des Werdens und des Zeiterlebens im Rahmen psychiatrischer Erkrankungen (1939). Deze teksten werden later samen opgenomen in zijn Prolegomena einer medizinischen Anthropologie (1954).

Een normale handeling heeft een temporele boog. Ik wil iets doen, ik begin, ik voer het uit en daarna is het gedaan. Dat laatste klinkt triviaal, maar is fenomenologisch van groot belang, want “gedaan” betekent iets anders dan dat alle noodzakelijke bewegingen hebben plaatsgevonden. De dwangpatiënt kan de gaskraan hebben dichtgedraaid, ernaar hebben gekeken en hem zelfs hebben aangeraakt. Objectief is de handeling voltooid, maar innerlijk arriveert zij niet als voltooid. Gebsattel beschrijft dit expliciet: een handeling kan wat haar feitelijke doel betreft zijn afgelopen en toch in de levensgeschiedenis van de patiënt niet tot voltooiing komen. Zij is uitgevoerd en tegelijk alsof zij niet werkelijk heeft plaatsgevonden. Daaruit ontstaat de twijfel aan het effect van de eigen handeling.

De patiënt controleert dus niet opnieuw omdat het hem aan ogen, geheugen of verstand ontbreekt, maar omdat het eerste controleren niet de natuurlijke kwaliteit van afgeslotenheid heeft gekregen. Het moderne begrip not-just-right experience en het gevoel van incompleteness (Coles et al., 2003; Summerfeldt, 2004) krijgen hier een temporele diepte die in symptoomlijsten verloren gaat.

Vanuit dit perspectief krijgt ook de herhalingsdwang een andere betekenis. Wie een boek dichtdoet, ervaart normaal dat de handeling vanzelf samenvalt met haar voltooiing: boek dicht, klaar, volgende moment. Ontbreekt dat natuurlijke einde, dan ontstaat een vreemde situatie waarin de handeling lichamelijk is beëindigd, maar psychologisch blijft openstaan. Dus doet men haar nog een keer, en misschien nog een keer, niet omdat herhalen op zichzelf aantrekkelijk is, maar in een poging het ontbrekende gevoel van voltooiing alsnog tot stand te brengen.

Gebsattel beschrijft hoe het handelen dan uiteenvalt in kleine, afzonderlijk gecontroleerde stappen, en vergelijkt dit met het kunstmatig aanleren van een militaire beweging, waarbij een vloeiende beweging wordt opgesplitst in geïsoleerde onderdelen. Dat herkennen we direct in OCD. Een eenvoudige handeling verliest haar globale vorm, en de aandacht schuift naar de onderdelen: heb ik mijn hand echt op de knop gelegd, keek ik terwijl ik hem indrukte, was ik aandachtig genoeg, dacht ik misschien aan iets anders, moet ik het opnieuw doen terwijl ik volledig aanwezig ben? Het geheel verdwijnt in de controle van zijn delen, en juist daardoor kan het geheel nooit meer vanzelf ontstaan.

De dwanghandeling als tragisch reparatieprogramma

Hier raakt Gebsattel iets wat rechtstreeks aansluit bij de moderne behandeling. De compulsie is niet alleen een gevolg van de stoornis, maar ook een poging haar te herstellen. Gebsattel onderscheidt een basale verstoring van de secundaire reactie van de patiënt daarop. De obsessief-compulsieve mens ervaart iets als onvoltooid, bedreigend, besmet, verkeerd of onzeker, en zet vervolgens een heel systeem in werking om daartegen weerstand te bieden. Wassen moet zuiverheid herstellen, controleren moet werkelijkheid herstellen, herhalen moet voltooiing herstellen, ordenen moet vorm herstellen en mentaal analyseren moet zekerheid herstellen.

Maar de remedie houdt de verstoring in leven. Hoe preciezer iemand probeert vast te stellen dat een handeling voltooid is, hoe meer hij de vanzelfsprekendheid ondergraaft waarmee voltooiing normaal wordt ervaren. Hoe nauwkeuriger hij zekerheid probeert te produceren, hoe duidelijker wordt dat absolute zekerheid ontbreekt. Experimenteel onderzoek bevestigt dit mechanisme: herhaald controleren vermindert het vertrouwen in het eigen geheugen, ook bij gezonde proefpersonen (Van den Hout & Kindt, 2003). De dwang is in Gebsattels visie daarmee een tragisch reparatieprogramma. De patiënt is voortdurend bezig iets te herstellen wat juist door die herstelactiviteit steeds minder spontaan beschikbaar wordt.

Dat verklaart ook een tweede paradox. De ernstige dwangpatiënt is allerminst passief. Hij is de hele dag bezig met wassen, ordenen, controleren, denken, corrigeren, vergelijken, vermijden, rekenen en opnieuw beginnen. Gebsattel contrasteert dit met de melancholie, waarin het worden eveneens kan stagneren. Waar de melancholische patiënt stilvalt, blijft de dwangpatiënt handelen, maar het handelen brengt hem niet verder. Hij is verwikkeld in een voortdurende strijd tegen een vijand die hem, in de woorden van zijn patiënten, op de hielen zit. Er is enorme arbeid zonder werkelijke voortgang; tijd wordt verbruikt maar niet bewoond. De dag raakt vol handelingen, terwijl het levensverhaal nauwelijks vooruitkomt. Precies dat thema horen we terug in onze eigen OCD-groep, wanneer deelnemers spreken over de uren en jaren die door compulsies zijn opgeslokt.

Gebsattel spreekt hier van Werdenshemmung, remming van het worden. De gezonde mens leeft niet alleen in de tijd, hij leeft naar voren. De toekomst trekt, en een onvoltooide situatie kan worden verlaten omdat er iets nieuws komt; niet ieder restje onzekerheid hoeft eerst te zijn opgelost voordat het volgende moment mag beginnen. Bij OCD raakt die voortgaande beweging verstoord en blijft het bewustzijn kleven aan het zojuist gebeurde: heb ik het echt gedaan, was het voldoende, wat betekende die gedachte, waarom voelde het niet goed, wat als? De toekomst verliest daardoor een deel van haar trekkracht, en de aandacht wordt steeds teruggezogen naar het onmiddellijk voorbije moment. Hedendaagse fenomenologen hebben dit uitgewerkt als een vernauwing van de temporele structuur, waarin het verleden zich blijft opdringen en de vanzelfsprekende gerichtheid op de toekomst afneemt, tot er in extreme vorm een circulaire tijd ontstaat waarin herhalen de plaats inneemt van voortgaan (Fukuda et al., 2023). Men zou dit bijna een fenomenologische definitie van compulsie kunnen noemen: de handeling kan niet verleden tijd worden.

De twijfel komt later dan we denken

Daarmee draait Gebsattel de gebruikelijke redenering gedeeltelijk om. We denken gemakkelijk dat iemand twijfelt en daarom opnieuw controleert. Fenomenologisch kan de volgorde echter dieper liggen: de handeling krijgt niet vanzelf de ervaring van voltooiing, en daarom ontstaat twijfel. Twijfel is dan niet noodzakelijk het primaire defect, maar de bewuste interpretatie van een fundamenteler niet-af-zijn. “Ik weet niet zeker of de deur dicht is” betekent dan eigenlijk: “mijn ervaring geeft mij niet het natuurlijke gevoel dat deze handeling achter mij ligt.”

Dat verklaart waarom rationele geruststelling zo zwak werkt. De partner kan zeggen dat de deur dicht is en de patiënt kan zelfs een foto hebben gemaakt waarop dat te zien is, maar de storing bevindt zich niet op het niveau van proposities. Zij zit in het voltooid raken van de ervaring zelf. De Haan, Rietveld en Denys (2013) komen via Wittgenstein tot een verwante conclusie: de zekerheid die de patiënt zoekt is principieel niet bereikbaar via het verzamelen van feitelijke kennis, omdat zij berust op een voorafgaand vertrouwen.

Hyperreflectie: wanneer het bewustzijn zichzelf in de weg zit

Wat bij gezonde mensen impliciet verloopt, wordt bij OCD expliciet gecontroleerd. Normaal hoef ik niet na te gaan of ik mij zeker genoeg voel om mijn schoenen aan te trekken; ik trek ze aan en ga naar buiten. Zodra ik echter ga kijken of het gevoel van voltooiing al aanwezig is, verander ik het proces dat ik probeer te controleren. Dat is hyperreflectie.

Gebsattel gebruikt daarvoor zijn eigen terminologie, maar de structuur is duidelijk aanwezig in zijn beschrijving van patiënten die hun handelen fractioneren, observeren en controleren. Latere auteurs hebben dit uitgewerkt als compensatoire hyperreflexiviteit: rituelen en overmatige zelfcontrole proberen de verloren spontane samenhang te herstellen, maar verzwakken daardoor juist de vanzelfsprekende gerichtheid op de wereld (Fuchs, 2010; de Haan et al., 2013; Fukuda et al., 2023).

Dit sluit verrassend goed aan bij wat wij in onze oefengroep hebben gezien. Een meditatie kan bedoeld zijn om aanwezigheid te oefenen, maar zodra de deelnemer gaat controleren of hij nu echt aanwezig is, of zijn geest stil genoeg is en of hij de oefening goed uitvoert, is hetzelfde mechanisme opnieuw binnengekomen. Onze regel dat je deze oefening niet fout kunt doen, is daarom geen vriendelijke bijkomstigheid. Zij raakt precies aan het fenomenologische probleem.

De gezonde persoon blijft aanwezig

Er is bij Gebsattel nog een element dat voor onze Getuige bijzonder interessant is. De dwangpatiënt verliest zijn kritisch bewustzijn meestal niet; hij weet vaak heel goed dat zijn gedrag overdreven of onzinnig is. Juist het conflict tussen dat inzicht en het ervaren moeten maakt de dwang tot dwang. Gebsattel merkt zelfs op dat het dwangkarakter duidelijker wordt naarmate iemand meer afstand tot de inhoud heeft. Wie volledig opgaat in de gevreesde werkelijkheid, handelt bijna vanzelfsprekend: natuurlijk moet ik wassen als dit werkelijk levensgevaarlijk besmet is. Pas wanneer een ander deel van de persoon zegt dat het eigenlijk onzin is, verschijnt de pijnlijke ervaring: ik weet dat het niet hoeft, en toch moet ik. Gebsattel ziet daarin een achterliggende, in aanleg gezonde persoonlijkheid die niet volledig door het dwangsysteem wordt opgeslokt.

We hoeven dit niet één op één gelijk te stellen aan onze Getuige, want Gebsattel ontwikkelde geen oefenmodel. De verwantschap is echter opvallend. Er blijft een positie bestaan van waaruit de patiënt kan zien dat daar de dwang gebeurt. Die positie heft de dwang niet op, maar voorkomt dat de hele persoon ermee samenvalt.

Van “ik wil” naar “ik moet”

Gebsattel wijst er bovendien op dat dwangpatiënten zelden spontaan over een abstracte “dwang” spreken. Hun taal is concreter: ik moet, ik mag niet, het kan niet anders. Daarmee raakt hij de antropologische kern, want de stoornis verandert de structuur van vrijheid. De patiënt wordt niet letterlijk van buitenaf gedwongen; hij herkent de gedachte en de handeling als de zijne. Toch ontbreekt de gewone vrijheid waarmee een eigen handeling wordt ingezet en beëindigd. De dwanggedachte is mijn gedachte, maar ik heb haar niet gekozen; de dwanghandeling is mijn handeling, maar zij voelt niet vrij. Moderne fenomenologische analyses beschrijven dit als een verstoring van agency, het ervaren auteurschap van de eigen handelingen (de Haan, Rietveld & Denys, 2015).

Hier verschijnt de Operator bijna vanzelf als therapeutisch tegenbegrip. Niet als een heldhaftige wil die de OCD moet verslaan, want dan ontstaat slechts een tweede vorm van dwang, maar als de kleine ruimte waarin “moeten” weer tot “kunnen kiezen” kan worden.

Ontwereldlijking

Gebsattel beschrijft uiteindelijk een proces van Entweltlichung, letterlijk ont-wereldlijking. Daarmee bedoelt hij niet dat de patiënt de werkelijkheid kwijtraakt, zoals in een psychose. De gewone wereld blijft bestaan en de patiënt weet hoe anderen haar ervaren. Maar daarnaast ontstaat een tweede wereld van besmettingslijnen, verboden voorwerpen, gevaren, mogelijke fouten, betekenissen die anderen niet zien en regels die gevolgd moeten worden. De gedeelde wereld wordt daardoor steeds minder toegankelijk. De patiënt weet intellectueel dat anderen een deur één keer sluiten, een toilet aanraken, een beslissing nemen of een gedachte laten passeren, maar hij kan niet meer vanzelfsprekend met hen meedoen. De dwang legt als het ware een privé-infrastructuur door de gemeenschappelijke werkelijkheid heen. Dat verklaart mede de sociale isolatie bij ernstige OCD: de ziekte kost niet alleen tijd, de patiënt woont ook steeds meer in een wereld waarvoor anderen geen kaart hebben.

Van symptoom naar antropologie

Hieruit wordt duidelijk waarom Gebsattel zijn benadering antropologisch noemt. Hij vraagt niet alleen wat er misgaat met een psychische functie, maar wat er verandert in de mens als geheel: in zijn verhouding tot tijd, tot zijn lichaam, tot de dingen en tot anderen, in zijn ervaring van vrijheid, in zijn vermogen iets achter zich te laten en uiteindelijk in zijn mogelijkheid zichzelf in de loop van zijn leven te verwezenlijken. In de Prolegomena staat Die Welt des Zwangskranken daarom bewust naast studies over depersonalisatie, fobie, melancholie en verstoorde tijdsbeleving. In zijn latere werk wordt dit uitgangspunt steeds explicieter: psychiatrie kan de mens niet begrijpen zolang zij hem reduceert tot psychische mechanismen; de persoon en zijn verhouding tot wereld en medemens moeten in beeld blijven (Gebsattel, 1950, 1964). We hoeven zijn volledige filosofische antropologie niet over te nemen om te zien hoeveel dit perspectief toevoegt aan ons begrip van OCD.

De verrassende aansluiting bij onze pilot

Wanneer we Gebsattel bijna negentig jaar later naast onze oefengroep leggen, vallen verschillende verbindingen op. Onze deelnemers zeggen niet in de eerste plaats dat hun gedachten verdwijnen. Ze zeggen dat er soms een fractie ruimte ontstaat: dat zij de gedachte eerder zien, dat zij even niet volledig de gedachte zijn, dat er een seconde kan liggen tussen impuls en handeling. Vanuit Gebsattels perspectief ligt precies daar de mogelijke opening.

De pathologische beweging van OCD trekt iemand uit de voortgaande wereld terug naar controle, reflectie en herhaling. De Getuige doet iets merkwaardigs: zij voegt geen nieuwe inhoud aan het systeem toe, maar maakt het mogelijk het systeem als systeem waar te nemen. De Operator kan vervolgens doen wat bij Gebsattels patiënten steeds mislukt: niet nóg een herstelhandeling uitvoeren, maar het volgende moment laten beginnen. De deur is misschien niet honderd procent zeker dicht, de gedachte is misschien niet volledig geanalyseerd, de handen voelen misschien nog niet schoon genoeg en de zin voelt misschien onaf, en toch ga ik verder. Dat “toch ga ik verder” is vanuit Gebsattels analyse veel fundamenteler dan het lijkt. Het is een herstel van temporaliteit, waarin de toekomst opnieuw voorrang krijgt boven het eindeloos repareren van het vorige moment.

Wat Gebsattel toevoegt aan de moderne OCD-theorie

Gebsattels model kan de moderne cognitieve en neurobiologische theorieën over OCD niet vervangen, en dat was ook nooit zijn bedoeling. Het anti-eidos is geen hersenmechanisme, de Werdenshemmung geen biomarker, en zijn klinisch materiaal voldoet niet aan hedendaagse onderzoeksstandaarden. Wel beschrijft hij iets wat een symptoommodel gemakkelijk mist. OCD is dan niet alleen een intrusieve gedachte die tot een compulsie leidt, maar een verstoring van de vanzelfsprekende stroom waarin een mens waarneemt, handelt, afrondt en verdergaat. Daardoor worden dingen die normaal vanzelf voorbijgaan objecten van controle, en de compulsie probeert de verloren vanzelfsprekendheid kunstmatig te reconstrueren, waardoor die juist steeds moeilijker bereikbaar wordt.

Zo wordt ook duidelijk waarom absolute zekerheid geen oplossing kan zijn. In het gewone leven is zekerheid zelden het eindproduct van controle; zij behoort tot de ongereflecteerde bodem waarop wij handelen. Wie haar voortdurend probeert te produceren, ontdekt steeds nieuwe redenen om eraan te twijfelen. Misschien ligt daarin Gebsattels belangrijkste les voor ons project: de tegenpool van dwang is niet volmaakte zekerheid, maar het vermogen verder te leven zonder haar.


Literatuur

Primaire bronnen (Gebsattel)

Gebsattel, V. E. von (1928). Zeitbezogenes Zwangsdenken in der Melancholie. Versuch einer konstruktiv-genetischen Betrachtung der Melancholiesymptome. Der Nervenarzt, 1, 275-287.

Gebsattel, V. E. von (1935). Zur Psychopathologie der Phobien. I. Die psychasthenische Phobie. Der Nervenarzt, 8, 337-346 en 398-408.

Gebsattel, V. E. von (1938). Die Welt des Zwangskranken. Monatsschrift für Psychiatrie und Neurologie, 99, 10-74.

Gebsattel, V. E. von (1939). Die Störungen des Werdens und des Zeiterlebens im Rahmen psychiatrischer Erkrankungen. In C. H. Roggenbau (Red.), Gegenwartsprobleme der psychiatrisch-neurologischen Forschung (pp. 54-71). Stuttgart: Enke.

Gebsattel, V. E. von (1950). Die Person und die Grenzen des psychotherapeutischen Verfahrens. Studium Generale, 3, 253-283.

Gebsattel, V. E. von (1954). Prolegomena einer medizinischen Anthropologie. Ausgewählte Aufsätze. Berlin, Göttingen, Heidelberg: Springer. (Hierin o.a. “Zeitbezogenes Zwangsdenken in der Melancholie”, pp. 1-18; “Zur Psychopathologie der Phobien”, pp. 47-74; “Die Welt des Zwangskranken”, pp. 74-128.)

Gebsattel, V. E. von (1958). The world of the compulsive. In R. May, E. Angel & H. F. Ellenberger (Red.), Existence: A New Dimension in Psychiatry and Psychology (pp. 170-187). New York: Basic Books.

Gebsattel, V. E. von (1964). Imago Hominis. Beiträge zu einer personalen Anthropologie. Schweinfurt: Neues Forum.

Secundaire literatuur

Coles, M. E., Frost, R. O., Heimberg, R. G., & Rhéaume, J. (2003). “Not just right experiences”: Perfectionism, obsessive-compulsive features and general psychopathology. Behaviour Research and Therapy, 41, 681-700.

Denys, D. (2011). Obsessionality & compulsivity: A phenomenology of obsessive-compulsive disorder. Philosophy, Ethics, and Humanities in Medicine, 6, 3. https://doi.org/10.1186/1747-5341-6-3

de Haan, S., Rietveld, E., & Denys, D. (2013). On the nature of obsessions and compulsions. In D. S. Baldwin & B. E. Leonard (Red.), Anxiety Disorders (Modern Trends in Pharmacopsychiatry, 29, pp. 1-15). Basel: Karger.

de Haan, S., Rietveld, E., & Denys, D. (2015). Being free by losing control: What obsessive-compulsive disorder can tell us about free will. In W. Glannon (Red.), Free Will and the Brain: Neuroscientific, Philosophical, and Legal Perspectives (pp. 83-103). Cambridge: Cambridge University Press.

Fuchs, T. (2010). The psychopathology of hyperreflexivity. Journal of Speculative Philosophy, 24(3), 239-255.

Fukuda, L., Tamelini, M., & Messas, G. (2023). Obsessive-compulsive existential type: A dialectical-phenomenological approach. Frontiers in Psychology, 14, 1211598. https://doi.org/10.3389/fpsyg.2023.1211598

Olatunji, B. O., Cisler, J. M., McKay, D., & Phillips, M. L. (2010). Is disgust associated with psychopathology? Emerging research in the anxiety disorders. Psychiatry Research, 175, 1-10.

Straus, E. (1938). Ein Beitrag zur Pathologie der Zwangserscheinungen. Monatsschrift für Psychiatrie und Neurologie, 98, 61-101.

Straus, E. W. (1948). On Obsession: A Clinical and Methodological Study. New York: Nervous and Mental Disease Monographs.

Summerfeldt, L. J. (2004). Understanding and treating incompleteness in obsessive-compulsive disorder. Journal of Clinical Psychology, 60(11), 1155-1168.

Van den Hout, M., & Kindt, M. (2003). Repeated checking causes memory distrust. Behaviour Research and Therapy, 41, 301-316.

Welie, J. V. M. (1995). Viktor Emil von Gebsattel on the doctor-patient relationship. Theoretical Medicine, 16(1), 41-72.

Leave a comment