Deze analyse betreft een pilotproject met een groep mensen met een obsessieve-compulsieve stoornis, OCD, die vanuit de psychiatrische praktijk van Menno Oosterhoff zijn samengebracht om gedurende enkele maanden te experimenteren met oefeningen uit Het Innerlijke Laboratorium. Het boek is verkrijgbaar bij Amazon.nl: https://www.amazon.nl/dp/B0HLHWK44V. Menno en ik bewerken nu een oefenboek dat we binnen deze maans zullen publiceren, zodat de gebruikers over een duidelijke stap voor stap handleiding gaan beschikken, zonder de esoterische en gnostische inhouden van het oorspronkelijke boek.
Deze pilot onderzoekt of eenvoudige aandachtsoefeningen en lichaamsgerichte oefeningen mensen met OCD kunnen helpen om minder automatisch op gedachten, gevoelens en impulsen te reageren. De nieuwe berichten tot en met 4 oktober versterken het eerdere signaal dat sommige deelnemers meer ruimte ervaren tussen opmerken en reageren. Tegelijk maken ze duidelijker hoe een oefening zelf een controleobject kan worden, en hoe sterk individuele ervaringen verschillen.
De oefengroep is opgezet als een verkennend traject. De groep is gericht op OCD, maar niet iedere deelnemer meldt zelf OCD te hebben. Ook geïnteresseerden met andere achtergronden nemen deel. Dat onderscheid is relevant wanneer we ervaringen interpreteren: een gunstige ervaring van een groepslid is niet automatisch een bevinding over mensen met OCD. De oefeningen worden onderzocht als mogelijke aanvulling op bestaande zorg. Uit deze chat kan geen behandelwerkzaamheid worden afgeleid.
De pilot bestaat uit begeleide oefeningen, videomateriaal, groepsbijeenkomsten en een WhatsApp-groep waarin deelnemers hun ervaringen, vragen, twijfels en kritiek delen. De groep is vanuit de psychiatrische praktijk van Menno Oosterhoff ontstaan. Het doel is te onderzoeken of eenvoudige aandacht-, meditatie- en lichaamsgerichte oefeningen iets kunnen toevoegen aan het bestaande therapeutische arsenaal, waaronder cognitieve gedragstherapie met exposure en responspreventie. Deze analyse bestrijkt ruim tien weken en dient als tussentijdse evaluatie voor het OCD-werkboek en het pilotprotocol.
De WhatsApp-discussie laat ook zien hoe dwang zich tijdens het oefenen kan vastzetten in een instructie, planning of de wens om het traject goed te volgen. Daardoor levert de groep zowel ervaringsbeschrijvingen als concrete aanwijzingen voor aanpassing van het materiaal.

Inleiding
Centraal staan daarbij de begrippen Getuige en Operator. Met de Getuige bedoelen we het vermogen om gedachten, gevoelens, impulsen en lichaamssignalen waar te nemen zonder er onmiddellijk mee samen te vallen. De Operator verwijst naar het vermogen om vanuit die kleine ruimte vervolgens bewust te handelen, of juist niet te handelen. Voor mensen met OCD is dat een relevante vraag, omdat de stoornis juist wordt gekenmerkt door gedachten, twijfels en gevoelens die zich met grote urgentie kunnen aandienen en vervolgens aanleiding geven tot zichtbare of mentale dwanghandelingen.
De pilot bestaat uit begeleide oefeningen, videomateriaal, groepsbijeenkomsten en een WhatsApp-groep waarin deelnemers hun ervaringen, vragen, twijfels en kritiek kunnen delen. In de loop van het traject zijn naast de oorspronkelijke getuige- en operatoroefeningen ook lichaams- en ademoefeningen geïntroduceerd, waaronder shaken, gibberish en verschillende vormen van lichaamsgerichte aandacht. Tegelijk wordt onderzocht welke oefeningen juist minder geschikt blijken voor mensen met OCD, bijvoorbeeld omdat ze onbedoeld een nieuw controle- of prestatiedoel kunnen creëren.
De WhatsApp-discussie vormt daardoor een bijzonder rijke bron. De deelnemers beschrijven niet alleen wat zij prettig of moeilijk vinden, maar laten ook zien hoe OCD zich in real time kan vastzetten in een oefening, een instructie, een planning of zelfs in de wens om het traject goed te volgen. Dat maakt de groep niet alleen een oefengroep, maar ook een klein praktijklaboratorium waarin zichtbaar wordt welke onderdelen van het Innerlijke Laboratorium bruikbaar lijken, waar aanpassing nodig is en welke vragen in een volgende fase systematischer onderzocht moeten worden.
Samenvatting van de bijgewerkte bevindingen
De huidige export bevat 654 tekstberichten die volgens de hieronder beschreven selectie meetellen. Daarvan zijn er 399 van negentien deelnemers, 141 van Jan en 114 van Menno. Sinds de vorige afsluitdatum zijn 77 berichten toegevoegd, waaronder 57 deelnemersberichten. De verdeling blijft ongelijk: vier deelnemers leveren samen 251 berichten, bijna 63 procent van alle deelnemersberichten. Veel van de nieuwe inhoudelijke oefenervaringen komen van één al eerder zeer actieve deelnemer.
De getuigeoefening blijft het meest samenhangende kwalitatieve signaal leveren. Deelnemers beschrijven een fractie vertraging, eerder herkennen van gedachten als gedachten en soms minder automatisch analyseren. Op 4 oktober komt daar een beschrijving bij van minder meegaan in uitdenken, vooral tijdens oefeningen maar ook in het dagelijks leven. De deelnemer noemt tegelijk weerstand: uitvoerig denken is niet alleen belastend, maar ook prettig en verbonden met zijn zelfbeeld. De verandering betreft dus de functie en de grip van het denken, niet eenvoudigweg de hoeveelheid gedachten.
Het oordeel over de oogmeditatie moet worden verbreed. Naast de eerdere frustratie en controle rond microbewegingen is er nu een positieve ervaring: een andere deelnemer gebruikt de oefening om een gedachtenstroom te beteugelen. Hij had dit nog niet durven opschrijven. Het eerdere ontbreken van positieve berichten bleek daarmee geen bewijs dat positieve ervaringen ontbraken. De oorspronkelijke ontwerpwaarschuwing blijft wel staan: wachten tot een innerlijke toestand precies goed is, kan bij OCD een nieuwe controlelus openen.
Gibberish heeft nu een eerste beperkte ervaringsrapportage. Eén deelnemer vond na ongeveer zes dagen afwisselend oefenen geen duidelijk positief of rustgevend effect, maar beschreef later wel dat de oefening hielp om OCD-gedachten als betekenisarme klanken te bekijken. Voor hummen en voetmassage zijn er eerste gunstige indrukken, nog zonder voldoende herhaling of afzonderlijke meting. Shaken, eerder soms prettig, werd voor diezelfde deelnemer minder prettig door sterke gewaarwordingen van de hartslag in het hoofd. Dat wordt door hem in verband gebracht met mogelijke terugkeer van sensomotorische OCD; de chat bevestigt die verklaring niet.
De uitbreiding legt drie aanvullende ontwikkelvragen bloot. Hoe ondersteunen we het blijven oefenen wanneer de groep eindigt? Hoe voorkomen we dat zoeken naar de beste techniek zelf een dwangpatroon wordt? En hoe bieden we aandacht voor lichaam en zintuigen aan zonder controle, vermijding of geruststelling te versterken? De discussie na de bijeenkomst op 4 oktober maakt vooral die laatste vraag concreet.
Bij herlezing van de volledige chattekst valt bovendien een rode draad op die in de eerdere versie onbenoemd bleef: vertrouwen. Menno formuleert de vraag van de pilot zelf als de vraag of de oefeningen mensen kunnen helpen ‘om vertrouwen te oefenen’, naast onrust verdragen en onrust dempen. Op 4 oktober vat de groep het zintuiglijke thema samen als veel opmerken en er niet op durven vertrouwen. Die formulering verbindt de Getuige, de zintuiglijke angst en de ontwerpvragen bij kijkoefeningen, en krijgt in deze versie een eigen hoofdstuk (6). Daarnaast zijn literatuurankers toegevoegd die de waargenomen patronen in bestaand OCD-onderzoek plaatsen. Zij verhelderen wat deelnemers beschrijven, maar zeggen niets over de werkzaamheid van de pilot.
1 Bron en werkwijze
De bron is de aangeleverde WhatsApp-tekstexport van 22 juli tot en met 4 oktober 2026, met als laatste bericht een vraag over de kaarsmeditatie om 10.54 uur op 4 oktober volgens de export. Tijdstippen worden hier niet naar een andere tijdzone omgerekend. De eerdere online analyse is als vergelijkingspunt gebruikt; de nieuwe conclusies zijn opnieuw aan de chattekst getoetst. De inhoud van gedeelde afbeeldingen, audio, documenten en bijeenkomsten is niet beschikbaar in deze export. Ervaringen uit een bijeenkomst kunnen dus alleen worden meegenomen voor zover iemand ze nadien in tekst beschrijft.
De export bevat 711 afzonderlijke WhatsApp-records. Na uitsluiting van 23 systeemmeldingen, negen polls, acht verwijderde berichten en zeventien records met een aanduiding dat media of een document ontbreken, blijven 654 tekstberichten over. Bij die laatste categorie zijn ook berichten met een kort bijschrift uitgesloten, om de telling te laten aansluiten op de eerdere analyse. Met deze regel worden de eerdere 577 berichten exact gereproduceerd. De telling betreft daarmee geselecteerde chatbijdragen, inclusief korte reacties, links en logistiek. Zij meet niet het aantal klinisch relevante observaties.
| Periode | Tekstberichten | Deelnemers | Jan | Menno |
| 22 juli t/m 28 september | 577 | 342 | 128 | 107 |
| 29 september t/m 4 oktober | 77 | 57 | 13 | 7 |
| Gehele periode | 654 | 399 | 141 | 114 |
In de gehele periode schrijven negentien verschillende deelnemers minimaal één geselecteerd tekstbericht; in de nieuwe periode zijn dat acht. Dit is geen telling van het aantal mensen dat actief oefent, bijeenkomsten bijwoont of OCD heeft. Vier personen worden op 3 oktober toegevoegd, van wie twee vóór de afsluiting een tekstbericht plaatsen. Voor nieuwkomers is daardoor nog vrijwel geen materiaal over oefenervaringen beschikbaar.
De analyse onderscheidt deelnemerservaringen, uitleg van begeleiders en interpretaties die wij voor het vervolg voorstellen. Waar een deelnemerscode nodig is, zijn alleen codes gebruikt waarvan de aansluiting met de eerdere analyse uit de inhoud duidelijk is, onder meer D2, D6 en D10. Nieuwe deelnemers krijgen in de publieke bespreking geen persoonlijk profiel. Bronverwijzingen bij nieuwe ervaringen gebruiken datum en code, in plaats van oude berichtnummers door te trekken zonder een identiek gecodeerd transcript.
In de eerdere periode leverden D10, D12, D6 en D8 samen ruim 60 procent van de deelnemersberichten. Zes deelnemers schreven drie of minder berichten. De rijkdom van gedetailleerde individuele verslagen mag daarom niet worden verward met representativiteit. Deelnamefrequentie geeft geen betrouwbare aanwijzing voor ernst, diagnose, inzet of vooruitgang.
De analyse volgt de logica van een reflexieve thematische analyse [5]. Thema’s zijn niet vooraf vastgelegd, maar ontwikkeld uit herhaald lezen van de tekst, en de positie van de analisten maakt deel uit van de interpretatie. Gezien de fenomenologische vraagstelling ligt de nadruk op hoe deelnemers hun ervaring zelf beschrijven, niet op het tellen van thema’s. Bij het ordenen van de chattekst en het opstellen van deze versie is AI-ondersteuning gebruikt; selectie, interpretatie en eindverantwoordelijkheid liggen bij de auteurs. Een onafhankelijke codering van een deel van het materiaal door een tweede beoordelaar heeft nog niet plaatsgevonden en wordt voor de volgende ronde aanbevolen.
2 Wat de chat wel en niet kan laten zien
De chat kan laten zien welke moeilijkheden ontstaan, hoe deelnemers een oefening begrijpen en welke veranderingen zij zelf ermee verbinden. Er zijn geen vergelijkingsgroep, geblindeerde beoordeling of systematische metingen waarmee verandering aan een specifieke oefening kan worden toegeschreven. Bestaande behandelingen, dagelijkse omstandigheden, groepscontact en verwachtingen kunnen allemaal bijdragen. Hoeveel wordt geoefend, is evenmin voor iedereen bekend.
Daar komt nu een concrete vorm van rapportagevertraging bij. Een deelnemer beschrijft op 29 september dat onzekerheid hem tegenhoudt om ervaringen te formuleren, ook wanneer ze gunstig zijn. Een ander herkent dit. Een stil groepslid hoeft dus niet ontevreden te zijn, maar kan evenmin als tevreden worden meegeteld. Ook negatieve ervaringen kunnen door aarzeling buiten beeld blijven. Afwezigheid van een bericht is geen uitkomstmaat.
Het publiceren en teruglezen van de eerste analyse heeft bovendien zelf nieuwe reacties uitgelokt. Die reacties verbeteren de volledigheid, maar ontstaan nadat deelnemers de interpretatie van de onderzoekers kennen. De positieve oogervaring was volgens de deelnemer al eerder opgetreden; het latere verslag is toch geen onafhankelijke bevestiging door een nieuwe, ongeïnformeerde waarnemer. De publicatie is vanaf 29 september een gebeurtenis binnen het onderzochte groepsproces geworden.
De tekst is gelezen op zes samenhangende vragen: welke OCD-problemen domineren, welke veranderingen deelnemers aan oefeningen koppelen, welke moeilijkheden of ongewenste reacties ontstaan, welke groepsfactoren helpen of belasten, hoe ervaringen zich verhouden tot verklaringen van begeleiders, en welke lessen daaruit volgen voor werkboek en pilot. De chat is geen gestandaardiseerd interview of systematisch bijgehouden dagboek. Positieve verwachtingen en de wens dat het project werkt kunnen rapportages beïnvloeden. D8 stelde die vraag al expliciet in de eerdere periode. Ook scepsis en teleurstelling kunnen ondergerapporteerd blijven.
3 De problemen waarop deelnemers oefenen
Het eerdere materiaal toont vooral mentale reviews, uitdenken, twijfel, schuldgevoel en de behoefte aan volledigheid. De inhoudelijke thema’s wisselen, terwijl de poging om onzekerheid op te lossen terugkomt. De cursus kan daardoor zelf onderdeel van het probleem worden: alles willen lezen, iedere techniek begrijpen, correct observeren en notities compleet maken. Op 1 oktober wordt dit nog explicieter wanneer een deelnemer zijn voortdurende zoeken naar waardevollere nieuwe activiteiten beschrijft als een vorm van geluksoptimalisatiedwang.
Het zoeken is begrijpelijk bij langdurige klachten en eerdere teleurstellingen. De chat laat echter zien dat vergelijken en wisselen ook ten koste kunnen gaan van het werkelijk gebruiken van een gekozen hulpmiddel. De vraag welke oefening het beste is, kan dan dezelfde onafgemaakte taak worden als een dwanggedachte. Het gevolg is meer voorbereiding en minder handelen. Een klein, herhaalbaar aanbod lijkt daarom geschikter dan steeds nieuwe technieken toevoegen.
De voorstelrondes laten een uiteenlopende groep zien. Waar de duur van klachten wordt genoemd, gaat het vaak om jaren tot decennia. Verscheidene deelnemers kennen CGT, ERP, ACT, medicatie of andere behandelingen. Zij brengen dus bestaande taal en vaardigheden mee, terwijl zij in het dagelijks leven nog hinder ervaren. Dat maakt aansluiting bij eerdere behandeling belangrijk en bemoeilijkt toeschrijving van verandering aan de pilot alleen.
3.1 Mentale dwang en de behoefte iets af te maken
Rumineren, overanalyseren, mentale reviews en ‘wat als’-scenario’s vormen het meest terugkerende patroon. D2 beschrijft dat een gedachte volledig moet worden uitgedacht en bij onderbreking opnieuw kan beginnen (#160). D10 merkt bij zichzelf een neiging op om ervaringen en notities uitvoerig te blijven bespreken en analyseren (#114). Voor het werkboek is dit cruciaal: ook reflecteren, registreren en begrijpen kunnen de vorm van mentale compulsie aannemen.
“Het eindeloos in mijn hoofd herhalen van wat er allemaal wel en niet is geweest en uitdenken van ‘wat als’-scenario’s.” (D2, #160)
3.2 Perfectionisme, volledigheid en verplichting
Het gevoel dat iets beter, vollediger of correcter moet, verschijnt niet alleen als symptoom maar ook in de omgang met de cursus. Een deelnemer wil alle berichten bijhouden, een ander raakt de draad kwijt, en Menno waarschuwt vroeg dat mensen met OCD van iedere optie een verplichting kunnen maken. D10 beschrijft later precies de metabeweging: de positieve momenten uit de oefeningen ‘vaker willen/moeten ervaren’ (#251). Daarmee wordt een nuttige oefening potentieel nieuw OCD-materiaal.
“altijd neerkomend op perfectionisme/volledigheid” (D7, #16)
3.3 Schuld, schaamte en verontschuldigen
Schuld en de neiging om zich te verontschuldigen lopen zichtbaar door de chat. Afmelden, een lang bericht schrijven of ruimte innemen kan al aanleiding zijn voor een verklaring of excuus. De groepsnorm dat dit niet hoeft, werkt daarom niet alleen sociaal maar raakt rechtstreeks een OCD-proces. De formulering ‘verantwoordelijk, maar zonder schuld’ en de zin ‘het is niet stom ván jou, maar vóór jou’ worden expliciet als helpend teruggegeven.
“Voel me dan ook een verklaring schuldig al weet ik dat dat niet hoeft.” (D6, #495)
3.4 Rouw om verloren tijd
Rouw verschijnt al op 20 augustus en krijgt rond 1 september een lange, emotioneel geladen uitwisseling. Het gaat om tijd die aan compulsies verloren is gegaan, gemiste ontwikkeling, jaloezie op mensen die vrijer konden leven en de pijn dat een oud thema kan verdwijnen zonder dat daarmee de verloren jaren terugkomen. Dit is meer dan een symptoomthema. Het is een existentiële laag die in een puur techniekgericht werkboek gemakkelijk gemist wordt.
“ik heb heel erg veel tijd besteed aan compulsies.” (D2, #318)
“datzelfde verdriet over alle verloren jaren draag ik ook met me mee” (D4, #344)
3.5 Niet kunnen opgaan in het moment
Een subtieler thema is dat OCD het volledig opgaan in muziek, film, werk of een voorstelling kan onderbreken met een kleverig ‘ja, maar’-signaal. D2 beschrijft hoe juist vóór of tijdens betekenisvolle activiteiten eerst iets gecontroleerd of opgelost lijkt te moeten worden (#466). De latere discussie over flow laat zien dat hier een conceptuele vraag ligt: wanneer is absorptie gezonde betrokkenheid, en wanneer identificatie die de keuzevrijheid vernauwt? Die vraag is in de chat nog niet opgelost, maar verdient een plek in de verdere ontwikkeling.
3.6 Incompleetheid en het niet-juist-gevoel
In de OCD-literatuur wordt naast schadevermijding een tweede kernmotief onderscheiden: incompleetheid, het gevoel dat iets niet af, niet juist of niet volledig is, los van enig gevaar [6]. Veel van wat de chat laat zien, valt eerder onder dit motief dan onder angst voor schade: een gedachte die volledig moet worden uitgedacht (3.1), de wens alle berichten te volgen (3.2) en een oefening die pas klaar lijkt als de laatste microbeweging verdwenen is (5.2). Een deelnemer brengt op 28 september zelf de term not-just-right-gevoelens in, in verband met overmatig bewustzijn van het lichaam.
Het onderscheid is praktisch relevant. Bij schadevermijding helpt het om het gevreesde gevolg te toetsen; bij incompleetheid is er vaak geen gevolg om te toetsen, alleen een gevoel dat moet kloppen. Oefeningen die eindigen op een innerlijk criterium, zoals tot het stil is of tot het goed voelt, sluiten juist bij dat tweede motief aan en kunnen het daardoor voeden. Dat onderbouwt de aanbeveling om oefeningen op een afgesproken tijd te laten eindigen.
4 De getuige en de operator in ontwikkeling
Met de Getuige bedoelen we het opmerken van wat zich aandient zonder onmiddellijk mee te gaan in de betekenis of urgentie ervan. De Operator beschrijft het handelen dat binnen die opmerkzaamheid mogelijk wordt: iets doen, uitstellen, laten of de aandacht terugbrengen naar een gekozen activiteit. Het zijn praktische benamingen voor functies die worden geoefend. De chat toont niet aan dat hiermee unieke, van andere benaderingen onderscheiden psychologische mechanismen worden aangesproken.
De eerdere verslagen betreffen onder meer een kleine pauze vóór reactie, kort uitzoomen en gedachten kunnen zien zonder er volledig in op te gaan. Op 28 september merkt D10 dat sneller herkennen ook mogelijk is wanneer de geest lawaaierig blijft. Op 1 oktober noemt hij opnieuw prettige getuige-ervaringen, met de kanttekening dat het najagen van die prettig aanvoelende toestand averechts kan werken. Dit is een belangrijke zelfcorrectie: rust kan voorkomen, maar hoeft geen voorwaarde voor een bruikbare oefening te worden.
De getuigeoefening levert het meest samenhangende patroon op. D4 beschrijft ‘een seconde rust’ vóór spreken of handelen (#150). D10 meldt een kleine afname van de drang om mentale compulsies uit te voeren (#112). D2 formuleert later voorzichtig dat hij gedachten soms kan ‘zien en niet zijn’ (#466). D11 beschrijft een perspectief waarin automatismen en oplossingsdrang minder totaal worden. De formuleringen zijn opvallend bescheiden. Juist dat maakt ze geloofwaardiger als kwalitatief signaal: deelnemers claimen geen verdwijnen van OCD, maar een verandering in relatie tot de mentale inhoud.
“Alsof er een seconde rust tussen zit voordat je iets zegt of in actie komt.” (D4, #150)
“mijn drang toch al een heel klein beetje vermindert om mentale compulsies (overanalyseren) uit te voeren.” (D10, #112)
“Ik kan ze dan zien en niet zijn. Er is dan wat afstand.” (D2, #466)
Deze beschrijvingen liggen dicht bij wat in metacognitieve therapie detached mindfulness heet: gedachten waarnemen als gebeurtenissen in de geest, zonder erop in te gaan of ze te onderdrukken [17]. Ze liggen ook dicht bij defusie uit ACT, waarvan de toepassing bij OCD in een gerandomiseerde studie is onderzocht [18]. Die verwantschap is geen zwakte. Zij maakt de Getuige herkenbaar voor behandelaars en verbindt haar met een toetsbare literatuur. Wat de Getuige mogelijk toevoegt, is de nadruk op een opmerkzaamheid die vóór het reageren ligt en via de Operator in het dagelijks handelen wordt meegenomen. Of dat in de praktijk iets anders oplevert dan bestaande technieken, moet nog blijken.
Op 4 oktober schrijft D10: “meer structureel stukken minder meegegaan in het uitdenken van dingen”. Hij situeert dit vooral tijdens de oefeningen, met enige uitbreiding naar het dagelijks leven. Hij onderscheidt denken uit belangstelling van denken om angst en onrust te vermijden, en meldt meer aanwezigheid in het lichaam. De hypothese dat minder denken energie bespaart, is zijn eigen verklaring en geen fysiologische bevinding. Evenmin is met deze beschrijving al langdurige verandering aangetoond.
De weerstand die hij noemt, maakt de observatie inhoudelijk rijker. Minder uitdenken voelt onwennig omdat denken ook plezier en identiteit geeft. Het trainingsdoel moet daarom voldoende precies zijn: kunnen kiezen wat men met denken doet, zonder van weinig denken een nieuwe deugd of verplichting te maken. Een vraag uit interesse bespreken en een vraag eindeloos oplossen om onzekerheid te neutraliseren kunnen uiterlijk sterk op elkaar lijken.
Voor de Operator ontstaat een concretere verbinding met eerdere ACT-ervaringen. Op 1 oktober noemt D10 defusie en toegewijde actie, het kiezen van een waarde en het veranderen van de omgeving om daarnaar te handelen. Dat laatste was al een hulpmiddel uit eerdere training en kan niet als nieuw effect van deze pilot worden opgevoerd. Het laat wel zien hoe het begrip Operator begrijpelijk gemaakt kan worden: een kleine handeling in het dagelijks leven, zonder eerst een ideale innerlijke toestand te bereiken.
5 Ervaringen en risico’s per oefening
| Oefening | Wat nu wordt gerapporteerd | Betekenis voor het vervolg |
| Getuige | Herhaalde verslagen van afstand, eerder herkennen en soms minder analyseren | Vaste basis; toets ook dagelijks handelen |
| Operator | Keuzevrijheid en verbinding met ACT en toegewijde actie | Concretiseren met kleine dagelijkse handelingen |
| Shaken | Soms ontspanning; ook schaamte, controle en later onaangename hartslagsensaties | Optioneel; reacties blijven volgen en alternatief bieden |
| Oogmeditatie | Eerdere controle en frustratie; nu ook één positieve ervaring | Gemengd beeld; geen criterium van volledige stilstand |
| Gibberish | Eén deelnemer meldt geen duidelijk rusteffect; wel enige andere kijk op dwangtaal | Ervaring tijdens en na de oefening onderscheiden |
| Hummen | Twee eerste ervaringen door één deelnemer als veelbelovend beoordeeld | Nog geen uitspraak over effect of mechanisme |
| Voetmassage | Eén deelnemer blijft het prettig en mogelijk aardend vinden | Optioneel; let op herhalen tot het goed voelt |
| Adem en lichaam | Enkele gunstige ervaringen, met mogelijke invloed van andere zorg | Flexibel anker; bewaak overmatig monitoren |
| Body mind mindfulness 2.0 | Geen herkenbare nieuwe afzonderlijke groepsrapportage | Open onderdeel; uitleg is geen uitkomst |
| Kaarsmeditatie | Vragen over licht, veiligheid en uitvoering; geen uitgewerkt ervaringsverslag | Duidelijke instructie zonder langdurig staren; neutraal alternatief |
5.1 Shaken verandert van betekenis
Aanvankelijk beschrijven enkele deelnemers ontspanning, meer adem en rustiger zitten na shaken. Anderen ervaren schaamte, moeite met expressie, lichamelijke beperkingen of controle rond mogelijke zichtbaarheid. De nieuwe informatie laat zien dat ook binnen één persoon de ervaring kan veranderen. D10 schrijft op 29 september dat de oefening sinds enkele keren minder prettig is door sterke hartslagsensaties in het hoofd na twee minuten shaken. Hij denkt zelf aan een mogelijke terugkeer van sensomotorische OCD.
Deze melding verdient opvolging als een ongewenste ervaring, zonder haar op afstand te diagnosticeren. De chat laat niet vaststellen of sprake is van normale activatie na bewegen, een lichamelijk probleem, verhoogde aandacht of een dwangproces. Voor de pilot betekent dit dat een eerder prettige oefening niet automatisch een vaste plaats houdt. Klachten moeten afzonderlijk worden besproken en er moet ruimte zijn om de oefening te stoppen, te wijzigen of over te slaan.
De eerdere verslagen geven de variatie concreet weer. D10 en een andere deelnemer beschrijven rustiger zitten, meer adem en ontspanning na shaken. D6 heeft aanvankelijk moeite zich over te geven. Bij D2 activeert bewegen een bestaand thema rond seksuele intrusies en ontstaat controle of de gordijnen dicht zijn en of geluid maken is toegestaan. D8 noemt een bredere aversie tegen theatrale of expressieve oefeningen die hij zelf niet primair als OCD beschouwt. Ook lichamelijke beperkingen kunnen de uitvoerbaarheid verminderen. Expressie heeft dus niet voor iedereen dezelfde betekenis en ongemak mag niet automatisch als therapeutisch noodzakelijke weerstand worden uitgelegd.
5.2 Oogmeditatie heeft een gemengd beeld
De eerdere negatieve casus betrof een instructie om pas verder te gaan wanneer microbewegingen verdwenen zijn. D10 beschreef hoe twijfel over de laatste kleine beweging de oefening frustrerend maakte. Die ontwerpkwestie blijft relevant. Een onbeheersbaar of moeilijk te beoordelen intern eindpunt kan aandacht laten overgaan in controle.
D2 meldt op 29 september daartegenover dat hij de oogmeditatie de afgelopen dagen regelmatig gebruikt om een gedachtenstroom te beteugelen en dat dit lijkt te werken. Hij had dit uit onzekerheid nog niet durven formuleren. De oefening kan daarom niet meer worden beschreven als een onderdeel waarvoor uitsluitend een negatieve deelnemerservaring bekend is. Er zijn nu verschillende ervaringen bij verschillende personen.
Ook de positieve formulering roept een vervolgvraag op. Wat betekent beteugelen in deze situatie: meer vrijheid om niet te analyseren, of een techniek die noodzakelijk gaat voelen om gedachten te laten verdwijnen? Dat verschil blijkt niet uit het bericht alleen. De volgende evaluatie moet dus niet uitsluitend vragen of de oefening rust geeft, maar ook of iemand haar kan laten wanneer zij niet helpt en daarna kan doorgaan met een betekenisvolle activiteit.
5.3 Gibberish zonder duidelijk rusteffect
Op 29 september beschrijft D10 ongeveer zes dagen waarin hij afwisselend gibberish met vijftien minuten observeren of alleen observeren deed. Hij ervoer geen duidelijk positief effect van gibberish, ook geen consequent stillere geest erna. Eén keer was er mogelijk wel iets van rust. Dit zijn enkele persoonlijke observaties; ze leveren geen gecontroleerde vergelijking van de twee procedures op.
Later die dag beschrijft hij wel een andere mogelijke opbrengst: hij kon de geest en OCD enigszins als gibberish gaan zien. We moeten dit onderscheid behouden. Een oefening kan geen merkbare rust opleveren en toch een ander perspectief bieden. De verwijzing naar defusie is een interpretatie die hierbij past, geen aangetoond mechanisme. Jan verduidelijkt vervolgens dat het observeren tijdens de oefening centraal staat. Voor komende registratie moeten die doelen vooraf helder zijn, zodat een uitblijvend verwacht effect niet achteraf ongemerkt wordt vervangen door een ander succescriterium.
5.4 Hummen voetmassage en andere lichaamsankers
D10 noemt op 29 september hummen na twee ervaringen potentieel veelbelovend en blijft voetmassage waarderen vanwege het prettige gevoel en mogelijke aarding. Dit is eerste informatie over bruikbaarheid, zonder nadere beschrijving van duur, functioneren of effect op compulsies. We kunnen deze onderdelen nu opnemen als beperkt gerapporteerde ervaringen, maar nog niet als werkzaam of onderling gelijkwaardig presenteren.
Lichaam en adem waren ook eerder voor sommigen een ingang naar meer aanwezigheid. Eén deelnemer noemt tegelijk fysiotherapie en houdingsverandering. Zulke andere bijdragen moeten zichtbaar blijven. Een lichaamsanker kan behulpzaam zijn wanneer het iemand terugbrengt naar handelen; hetzelfde anker kan belastend worden wanneer de persoon ademhaling, hartslag of symmetrie voortdurend gaat beoordelen. De functie van het gebruik is daarom minstens zo belangrijk als de techniek.
D2 beschrijft eerder een episode waarin tinnitus tijdens stilte sterk op de voorgrond komt. Door het geluid als Getuige te observeren wordt hij rustiger en zakt het geluid in zijn ervaring naar de achtergrond. Dit illustreert een mogelijke verandering in de verhouding tot een sensatie, maar blijft één casus. Bij adem en gewicht voelen beschrijft een andere deelnemer een ruimere uitgangspositie voor de Getuige. D2 noemt spontaner diep ademen naast fysiotherapie en houdingsverandering als mogelijke bijdragen. Die verschillende verklaringen blijven naast elkaar staan.
Voor Body-mind mindfulness 2.0 ontbreekt ook in de uitbreiding een afzonderlijke reeks groepsrapportages. Een positieve patiëntcasus die Menno eerder buiten de groep beschreef, behoort niet tot de uitkomsten van deze pilot. Interesse, uitleg en een plausibele duiding leveren nog geen effectbevinding op.
6 Opmerken en er niet op durven vertrouwen
Een thema dat door de hele chat loopt, maar in de eerdere analyse niet werd benoemd, is vertrouwen. Bij de kennismaking noemt een deelnemer als doel: “Ik zou graag het vertrouwen in mijzelf, en het leven in het algemeen, wat meer willen verankeren.” Op 24 september formuleert Menno de vraag van de pilot in dezelfde termen: kan het arsenaal aan meditatie- en lichaamsoefeningen ‘mensen helpen om vertrouwen te oefenen’, als aanvulling op onrust verdragen in CGT en onrust dempen met medicatie? Na de bijeenkomst van 4 oktober vatten twee deelnemers de zintuiglijke discussie vervolgens samen in vrijwel dezelfde woorden.
“Zuinig, maar er niet op durven vertrouwen…” (deelnemer, 4 oktober)
“En zoveel opmerken en er niet op durven vertrouwen…” (deelnemer, 4 oktober)
Die laatste zin is fenomenologisch precies. Het probleem is niet te weinig waarneming, maar een waarneming die geen gezag krijgt. Dit sluit aan bij twee onderzoekslijnen. Het SPIS-model (Seeking Proxies for Internal States) beschrijft OCD als verminderde toegang tot interne toestanden, zoals gevoelens, voorkeuren, lichaamssensaties en het gevoel iets begrepen te hebben. Die verminderde toegang wordt gecompenseerd met externe, beter waarneembare vervangers: regels, rituelen, herhaling of bevestiging door anderen [7, 8]. Inference-Based Therapy spreekt van wantrouwen in de eigen zintuigen en van inferentiële verwarring: een denkbare mogelijkheid krijgt meer gewicht dan wat men feitelijk waarneemt [9].
Een derde onderzoekslijn is voor de pilot het meest direct bruikbaar. Experimenteel onderzoek uit Utrecht liet zien dat herhaald controleren niet de nauwkeurigheid van het geheugen aantast, maar wel het vertrouwen erin [10]. Voor waarneming geldt iets vergelijkbaars: aanhoudend staren naar een voorwerp, zoals een lamp of een gaspit, verhoogt de onzekerheid over de eigen waarneming en gaat gepaard met gevoelens van onwerkelijkheid, en dat effect treedt al na korte tijd op [11, 12]. Meer kijken levert dus minder vertrouwen op. Dat is van belang voor oefeningen die op aanhoudend kijken of nauwkeurig waarnemen berusten, zoals de oogmeditatie en de kaarsmeditatie (zie 7 en 10).
Hier ligt een werkhypothese voor de Getuige. Als opmerken bij OCD gemakkelijk overgaat in controleren, en controleren het vertrouwen ondermijnt, dan moet de Getuige kort, licht en zonder eindcriterium worden geoefend: opmerken en het daarbij laten, zonder na te gaan of de waarneming klopt. De anekdote die een deelnemer op 31 augustus deelt over Kepler, die de waarnemingen van Brahe vertrouwde en daarmee een hardnekkige aanname kon loslaten, laat zien dat de groep zelf naar dit soort vertrouwen zoekt. Of de oefeningen dat vertrouwen werkelijk vergroten, kan de chat niet laten zien. Het kan wel een expliciete uitkomstvraag worden (zie 11).
7 Zintuiglijke gevoeligheid en angst voor beschadiging
Na de bijeenkomst van 4 oktober ontstaat een brede uitwisseling over licht, geluid en angst voor beschadiging van ogen of gehoor. Sommige deelnemers herkennen de angst bij fel licht of een piep in het oor; anderen noemen sirenes, oordoppen en de twijfel of hun reactie sociaal ongepast is. Dit is een belangrijk nieuw thema in de chat. Het is geen bewijs dat de voorgestelde kaarsmeditatie schade heeft veroorzaakt: daarvan wordt geen verslag gedaan, en de precieze uitvoering is in de export niet vastgelegd.
Dat zo veel deelnemers dit herkennen, past bij onderzoek naar zintuiglijke fenomenen bij OCD. In een Braziliaans cohort van ruim duizend patiënten rapporteerde 65 procent ten minste één sensorisch fenomeen voorafgaand aan herhaald gedrag, zoals lichamelijke sensaties, een niet-juist-gevoel of innerlijke spanning [13]. Daarnaast wordt sensorische overgevoeligheid steeds vaker beschreven als kenmerk dat over het hele obsessief-compulsieve spectrum voorkomt [14]. Het gaat dus niet om een eigenaardigheid van deze groep.
We moeten hier ten minste drie vragen uit elkaar houden. Is een prikkel werkelijk pijnlijk of te intens voor de persoon? Ontstaat angst voor blijvende beschadiging, met herhaald controleren of geruststelling zoeken? Of blijft de aandacht ongewild aan een lichaamsproces of zintuiglijke sensatie vastzitten? Die processen kunnen samengaan, maar zijn niet identiek. Ook een normale voorzorgsmaatregel wordt niet door haar uiterlijk automatisch een compulsie. Haar verhouding tot het reële risico, herhaling en functie moeten worden onderzocht.
De chat voegt daar verantwoordelijkheid en sociale schuld aan toe. Een deelnemer ervaart niet alleen last van sirenes, maar vreest ook door zijn gedrag de hulpverlening te hinderen, buiten de gewone verkeerssituatie om. Een ander vreest dat het afschermen van zijn oren egoïstisch wordt gevonden. Zintuiglijke angst, morele twijfel en verantwoordelijkheid kunnen zo één controlepatroon vormen. Dit sluit aan bij eerdere schuldthema’s in de groep.
Het voorbeeld van de sirene laat zien hoe dit samenkomt. De deelnemer onderscheidt zelf gewone voorzichtigheid in het verkeer van een angst die volgens hem ‘meer tegen het magisch denken aan’ zit: dat zijn gedrag de hulp kan vertragen. In de cognitieve OCD-literatuur heet dit opgeblazen verantwoordelijkheid [15], in combinatie met gedachte-handelingsfusie, de ervaring dat een gedachte of kleine handeling onevenredig veel invloed op de werkelijkheid heeft [16]. Dezelfde deelnemer vertelt dat hij in eerdere therapie heeft geoefend de straat op te gaan zonder oordoppen. Dit materiaal is dus al in een exposurekader bewerkt, en de oefengroep moet daar niet mee in strijd komen.
De bespreking van body-focused repetitive behaviors en lichaamsgerichte obsessies vraagt om precieze termen. Haar trekken of huid plukken zijn lichaamsgerichte herhalingsgedragingen die kunnen samengaan met OCD, maar niet eenvoudigweg als het tegenovergestelde van lichaamsgerichte obsessies moeten worden beschouwd. De aanjagende impuls en functie verschillen per persoon. Bij sensomotorische obsessies kan juist de aandacht voor normaal automatische processen zoals slikken, ademen of knipperen blijven vastzitten. [1, 2]
Voor de kaarsmeditatie volgt hieruit een ontwerptaak: geef een korte, eenduidige instructie zonder eis om te staren, niet te knipperen of een bepaald nabeeld te bereiken. Bied zo nodig een neutraal, niet-lichtgevend voorwerp als alternatief. De angst voor beschadiging verdient een begrensde bespreking, zonder iedere deelnemer telkens absolute zekerheid te geven. Reële veiligheid blijft wel een afzonderlijke voorwaarde. De verhalen over een zonsverduistering moeten bijvoorbeeld niet als ongevaarlijke exposure worden gelezen: rechtstreeks naar de zon kijken vereist specifieke oogbescherming. [3]
Het staaronderzoek onderbouwt deze ontwerpkeuze [11, 12]. Een kaarsmeditatie die vraagt de vlam langdurig te fixeren, lijkt in vorm sterk op de experimentele staarconditie die onzekerheid over waarneming opwekt. Een variant waarin de blik zacht en beweeglijk mag blijven, de ogen na korte tijd worden gesloten en een nabeeld niet hoeft te worden vastgehouden, verkleint dat risico. Voor deelnemers bij wie licht angst oproept, is een niet-lichtgevend voorwerp een volwaardig alternatief en geen tweederangs keuze.
8 De groep helpt ook bij het blijven oefenen
Erkenning, ruimte voor twijfel en het gevoel minder alleen te zijn kwamen al in de eerdere periode naar voren. De nieuwe reacties geven de groep nog een tweede functie: zij biedt een kader dat initiatief en continuïteit ondersteunt. D10 beschrijft op 1 oktober onrust bij de gedachte dat de pilot zal eindigen. In eerdere trainingen zakte het toepassen van hulpmiddelen na afloop weg, terwijl deelname hem hielp om te blijven oefenen.
Dat is een aanwijzing voor een relevante ondersteunende groepsfunctie, geen bewijs van afhankelijkheid. De deelnemer noemt ook vaardigheden uit eerdere trainingen die hij wel zelfstandig gebruikt. De vraag voor het vervolg is hoe bruikbare steun kan worden overgedragen naar het dagelijks leven. Een eenvoudig persoonlijk ritme, een gekozen kernprocedure en een vooraf geplande terugkombijeenkomst zijn mogelijke ontwerpen die nog moeten worden beproefd. Voortzetting van de groep is daarmee geen vanzelfsprekende noodzakelijkheid, maar afronding verdient tijdige aandacht.
Tegelijk kent ook betekenisvol groepscontact een risico van overmatige betrokkenheid. In de eerdere chat beschrijft dezelfde deelnemer hoe contacten onderhouden een groot deel van een dag kan vullen, ten koste van andere activiteiten. De begeleiders moeten daarom zowel het contact als de ruimte om er niet voortdurend bij te zijn ondersteunen. Het aantal berichten en de hoeveelheid notities zijn geen maat voor inzet of vooruitgang.
De eerdere ervaringen maken deze groepsfunctie tastbaar. D2 schrijft dat hij zich even minder alleen voelde. D6 meldt op 1 september dat zij nog nooit op deze manier met iemand over haar ervaringen heeft gesproken. Een ander waardeert dat Menno naast begeleiding ook eigen ervaringen deelt. Erkenning en wederkerigheid kunnen daarmee bijdragen aan de bereidheid om te oefenen en moeilijkheden bespreekbaar te maken. Hun aandeel is in deze opzet niet los te meten van dat van de technieken.
De boodschap dat niets moet en dat een oefening geen perfecte uitvoering vraagt, raakt rechtstreeks de neiging om van iedere optie een verplichting te maken. Zij moet ook in het groepsgedrag zichtbaar blijven: afmelden zonder uitgebreide verantwoording, berichten niet allemaal lezen en een oefening overslaan moeten werkelijk mogelijk zijn.
9 Openheid, kritiek en privacy
De groep laat al eerder zien dat niet iedereen zich vrij voelt om een kritische ervaring te delen. De nieuwe melding over een onuitgesproken positieve ervaring maakt het beeld breder: onzekerheid kan beide soorten rapportage remmen. Een korte uitnodiging om ook een gemengd, voorlopig of moeilijk te formuleren antwoord te geven kan nuttiger zijn dan vragen om uitvoerige reflecties. Begeleiders kunnen daarbij nagaan of hun eigen enthousiasme ruimte laat voor een uitkomst die tegenvalt.
D8 is de belangrijkste kritische stem en vraagt expliciet naar verwachtingseffecten, attributie en de mogelijkheid dat een oefening alleen werkt omdat deelnemers geloven dat zij moet werken (#254). Die kritiek is inhoudelijk waardevol en niet slechts weerstand. De groep reageert grotendeels constructief. Menno benoemt later open dat het bericht bij hem weerstand opriep en dat dit geen oordeel is (#303). Jan’s eerste korte reactie, ‘het is complete nonsense’ (#259), sloeg volgens zijn latere toelichting op een specifiek voorbeeld, maar kan in tekstvorm gemakkelijk breder en afwijzend gelezen worden.
Voor een groep waarin veel deelnemers bang zijn iets verkeerd te doen, is expliciet ruimte geven aan niet-werken, twijfel en kritiek daarom methodologisch belangrijk. Het vermindert de kans dat alleen bevestigende ervaringen worden gedeeld en maakt de kwalitatieve data betrouwbaarder. ‘Het werkte niet voor mij’ moet even welkom zijn als ‘dit gaf ruimte’.
Tot deze reflexiviteit hoort ook de rol van de begeleiders zelf. Jan is auteur van het boek waarop de oefeningen gebaseerd zijn, en in de onderzochte periode wordt in de groep de verschijning van de Nederlandse uitgave aangekondigd, met het verzoek de link te delen en een recensie achter te laten. Ook de analyse wordt door hem opgesteld, en de eerste reacties daarop zijn zeer waarderend. Dat maakt de bevindingen niet ongeldig, maar vergroot de kans dat deelnemers vooral delen wat aansluit bij de verwachtingen van de begeleiders, en dat de analist ervaringen leest in het licht van het eigen model. Een tweede, onafhankelijke lezing van het materiaal en het expliciet uitnodigen van tegenvallende ervaringen zijn de belangrijkste tegenwichten.
Op 4 oktober beschrijft een deelnemer bovendien dat het woord zweverig mede een verwacht oordeel van anderen vertegenwoordigt. Hij staat juist open voor de oefeningen, maar voelt zich kwetsbaar wanneer hij erover praat. Een ervaren of gevreesd stigma is dus iets anders dan inhoudelijke afwijzing van de methode. Voor de begeleiding pleit dit voor concrete taal, zonder dat een deelnemer spirituele woorden hoeft over te nemen om zijn ervaring te mogen beschrijven.
De reacties op de gepubliceerde analyse maken duidelijk dat codes geen volledige anonimiteit bieden. Deelnemers zeggen dat zij hun eigen code hebben herkend of die van anderen kunnen raden. We spreken daarom van pseudonimisering. Voor een publieke versie zijn minder persoonlijke profielen, beperkte citaten en het weglaten van zeldzame biografische combinaties passend. De inhoudelijk relevante klinische aandachtspunten kunnen meestal zonder herkenbare levensdetails worden besproken.
Enkele deelnemers geven op 29 september aan geen bezwaar tegen publicatie te hebben. Dat is waardevolle terugkoppeling, maar toont geen toestemming van ieder groepslid en dekt niet vanzelf nieuwe deelnemers of latere, gevoeliger bijdragen. Voor volgende publieke versies hoort helder te zijn welke vorm van gebruik is besproken en op wie die betrekking heeft. Deze analyse neemt daarom geen namen van deelnemers, contactgegevens, uitnodigingslinks of persoonlijke medicatiedoseringen op.
10 Consequenties voor het werkboek en de begeleiding
De vernieuwde analyse pleit voor een stabiele kern waarin Getuige en Operator samen voorkomen. Na een korte periode van opmerken volgt een kleine, gewone handeling, zodat observeren niet uitloopt op permanent naar binnen kijken. Het materiaal moet expliciet toelaten dat iemand bezig is met werk, muziek of contact zonder voortdurend te controleren of de Getuige actief genoeg is. De eerdere vraag over flow blijft daarbij relevant: gezond opgaan in een activiteit hoeft niet door zelfcontrole te worden onderbroken.
Een oefening kan op afgesproken tijd eindigen, ongeacht hoe stil, ontspannen of afgerond zij voelt. Ook de timer moet een praktisch hulpmiddel blijven; een keer anders oefenen of overslaan is geen mislukking. Formuleringen als je kunt het niet fout doen helpen vooral wanneer ze worden uitgelegd als afwezigheid van een perfecte innerlijke prestatie. Ze mogen niet suggereren dat iedere oefenwijze veilig is of dat iedere ervaring vanzelf heilzaam wordt.
Bij expressieve oefeningen verdient een rustig alternatief een eigen plaats. Een alternatief is een keuze binnen deze verkennende pilot en geen uitspraak dat vermijden in een individuele ERP-behandeling wenselijk is. Als juist een bepaalde handeling doel van exposure is, moet die keuze passen bij het behandelplan. De chat geeft onvoldoende basis om een oefening zomaar tot exposureprotocol te verklaren. NICE noemt bij mentale dwang expliciet ook responspreventie van mentale rituelen en neutraliserende strategieën. [4]
Voor lichaam en zintuigen is een korte toelichting nodig op het verschil tussen waarnemen en controleren. Wie zijn adem, ogen of hartslag nauwkeurig gaat volgen om een fout of gevaar uit te sluiten, kan in een ander proces terechtkomen dan iemand die kort een sensatie opmerkt en daarna verdergaat. Deze beoordeling vraagt naar concrete functie en gedrag; de naam mindfulness, Getuige of aarding beslist dat niet.
Nieuwe deelnemers hebben één duidelijk startpunt nodig, zonder achterstallige leeslijst. De toevoegingen op 3 oktober maken dit opnieuw actueel. Een vaste link, aangekondigde duur en één overzichtelijk weekbericht beperken onnodige zoekarbeid. Wijzigingen en annuleringen zijn onvermijdelijk, maar kunnen helder en tijdig worden doorgegeven. Voor de afronding hoort een eenvoudige onderhoudsafspraak bij dezelfde basisstructuur.
De belangrijkste praktische spanning loopt tussen rijkdom en overaanbod. Er verschijnen oefeningen, video’s, blogs, boekfragmenten, reflecties en links in hoog tempo. Voor sommige deelnemers is dat stimulerend. D11 zou zelfs meer nieuwe opdrachten willen (#279). Voor anderen wordt het onoverzichtelijk. D3 verlaat de groep omdat zij er zenuwachtig van wordt dat zij door drukte niet toekomt aan de stof of die niet voldoende kan volgen (#82). D15, die later instroomt, vraagt expliciet om ‘een uitleg, overzicht of soort startpunt’ (#456). D4 meldt aan het einde dat er veel in haar leven gebeurt en dat zij daarom ‘een beetje half mee’ doet (#573).
Ook logistiek speelt mee. Er is een bijeenkomst met een verkeerde of niet werkende link, een sessie stopt abrupt na de limiet van een uur en een bijeenkomst valt uit door internetproblemen. De starttijd verschuift later van 10 naar 9 uur. Voor iedere online groep is dat hinderlijk, maar in deze populatie kan onvoorspelbaarheid extra mentale arbeid oproepen. Eén vaste link, één vast tijdslot en één duidelijk weekbericht zijn daarom geen cosmetische verbeteringen maar onderdeel van de interventiehygiëne.
Het werkboek kan per oefening het mogelijke dwanggebruik benoemen. Observeren kan controleren worden, reflecteren kan rumineren worden, adem kan dienen om angst te neutraliseren en massage kan een precies-gelijk-regel krijgen. Eén vaste basis en hooguit één optionele uitbreiding per week bieden een werkbare start. Dit is een ontwerpvoorstel dat in een volgende fase op bruikbaarheid moet worden getoetst.
Bij ernstige lijdensdruk moet buiten de oefengroep een individueel klinisch aanspreekpunt beschikbaar zijn. De eerdere chat bevat zulke signalen, naast depressieve periodes, paniek en andere kwetsbaarheid. De klinische betekenis ervan blijft behouden zonder herkenbare persoonlijke details te publiceren. Ook bij uitwisseling van medicatie-ervaringen horen keuzes over middelen, dosering en bijwerkingen bij de eigen voorschrijver. Rollen van begeleiders en behandelaren moeten voor deelnemers duidelijk zijn.
11 Een kortere en gerichtere volgende evaluatie
De nieuwe periode voegt ervaringen toe, maar bevat geen voor- en nametingsresultaten. Symptoomscores kunnen in een volgende fase verandering beschrijven; zonder vergelijkingsopzet blijft de toeschrijving aan de pilot beperkt. Daarnaast zijn concrete gedragsvoorbeelden nodig om te begrijpen wat deelnemers met meer ruimte bedoelen. Daarvoor hoeft geen uitgebreid dagelijks verslag te worden gevraagd.
De eerder voorgestelde OCI-R voor en na drie maanden kan als symptoommaat behouden blijven. In het beschikbare materiaal staan nog geen resultaten van die meting. Een symptoomscore vangt bovendien niet vanzelf de beschreven tussenruimte vóór reageren. Naast klachten zijn daarom functioneren, tijdverlies aan compulsies en concrete responsvrijheid relevante uitkomsten. Ook uitblijvende verandering en het stoppen met een oefening moeten worden geregistreerd, zonder dat registreren een volledigheidstaak wordt.
De keuze voor de OCI-R wordt ondersteund door de belangrijkste gerandomiseerde studie naar een mindfulnessgroep bij mensen die na CGT restklachten houden, de populatie die het meest op deze oefengroep lijkt. Daar verbeterde de mindfulnessgroep sneller dan een actieve controlegroep op de zelfrapportage met de OCI-R, maar niet op de door een clinicus afgenomen Y-BOCS; na zes en twaalf maanden waren de verschillen tussen de groepen verdwenen [19, 20]. Voor deze pilot betekent dit: verwacht bescheiden effecten, neem zo mogelijk naast de OCI-R ook een Y-BOCS-afname door een behandelaar op, en meet op meer dan één moment na afloop.
Een optionele wekelijkse registratie van enkele minuten kan zes vragen bevatten: welke oefening heb ik daadwerkelijk gedaan; merkte ik een dwangproces op voordat ik erin meeging; kon ik een mentale of zichtbare compulsie uitstellen, verkorten of laten; kon ik op een waarneming of herinnering vertrouwen zonder haar opnieuw te controleren; welke invloed had OCD op belangrijke activiteiten; en wat hielp, werkte niet of maakte het juist moeilijker? Geen oefening gedaan of geen verschil gemerkt zijn volwaardige antwoorden. De registratie stopt na de afgesproken korte tijd en hoeft niet te worden aangevuld totdat zij volledig voelt.
Bij nieuwe onderdelen moet vooraf het beoogde ervaringspunt worden benoemd. Voor gibberish kunnen ervaring tijdens het spreken, toestand na afloop en gedrag later op de dag apart worden bekeken. Voor hummen of voetmassage moet duidelijk worden wat iemand prettig vindt en of dat ook helpt bij minder compulsief reageren. Het aantal eerdere pogingen en veranderingen in andere zorg kunnen kort worden genoteerd. Het PEER-P-formulier kan bij geselecteerde verdiepende observaties helpen, maar hoort geen standaard huiswerkplicht te worden.
Een vaste terugvraag naar ongewenste reacties is nodig, juist omdat oefeningen aanvankelijk prettig kunnen zijn en later iets anders oproepen. Een melding van sterke lichamelijke sensaties vraagt passend overleg buiten de chat; groepsinstemming kan geen medische beoordeling vervangen. Medicatievragen blijven bij de eigen voorschrijver, en ernstige klachten of crisisvragen vereisen een afzonderlijk aanspreekpunt. De oefengroep is niet automatisch de behandelrelatie van ieder groepslid.
12 Bijgewerkte conclusie
Tot en met 4 oktober blijft het meest verdedigbare positieve signaal een verandering in de verhouding tot gedachten: sommige actieve deelnemers merken eerder op wat gebeurt en beschrijven dat zij minder onmiddellijk meegaan in uitdenken. Het nieuwe verslag over het dagelijks leven is inhoudelijk relevant, maar komt van dezelfde deelnemer die ook veel eerdere observaties leverde. Herhaling binnen één persoon versterkt de beschrijving van diens proces, zonder het bereik over de groep te vergroten.
De oefeningen laten een gemengd en veranderlijk beeld zien. De oogmeditatie heeft nu zowel een problematische als een gunstige ervaringsbeschrijving. Gibberish gaf bij één deelnemer geen duidelijk rusteffect, maar mogelijk wel een ander perspectief op gedachten. Hummen en voetmassage hebben eerste gunstige indrukken opgeleverd. Shaken vraagt extra aandacht omdat een eerder positief ervaren onderdeel later als belastend wordt beschreven. Over kaarsmeditatie en Body-mind mindfulness 2.0 ontbreken nog afzonderlijke uitkomstverslagen.
De belangrijkste uitbreiding is dat de pilot niet alleen over technieken gaat. Zij laat zien hoe onzekerheid rapportage beïnvloedt, hoe groepsstructuur het oefenen ondersteunt en hoe zoeken naar de beste methode in een dwangpatroon kan overgaan. De discussie over licht en geluid onderstreept bovendien dat lichamelijke aandacht individueel moet worden aangeboden. Het vervolg kan daardoor preciezer worden: een kleine vaste kern, een concrete stap naar dagelijks handelen, ruimte voor gemengde uitkomsten en een geplande overgang naar zelfstandig gebruik.
Tot slot geeft de chat zelf een richting voor de verdere ontwikkeling. De oefeningen kunnen worden begrepen als oefening in vertrouwen: opmerken zonder te verifiëren, stoppen zonder dat het goed voelt, en handelen zonder dat alle twijfel is opgelost. Dat sluit aan bij bestaande modellen van OCD [7, 9, 10] en geeft de volgende evaluatie een concrete vraag die verder gaat dan rust of ontspanning.
Bronnen en toelichtingen
De citaten en berichtnummers met een hekje zijn overgenomen uit de eerdere analyse tot en met 28 september en verwijzen naar de toen gebruikte gepseudonimiseerde transcriptvolgorde. Nieuwe ervaringen zijn met datum aangeduid. Deze nummering is geen doorlopende nummering van de volledige export tot en met 4 oktober.
Primaire bron: WhatsApp-export Oefengroep Innerlijk Laboratorium 2, aangeleverd op 4 oktober 2026. Nieuwe ervaringsverwijzingen in deze tekst betreffen 29 september, 1 oktober en 4 oktober. De aanvullende bronnen hieronder verduidelijken klinische begrippen en algemene veiligheidsgrenzen; de bronnen vanaf [5] plaatsen de waargenomen patronen bovendien in bestaand OCD-onderzoek. Geen van deze bronnen vormt bewijs voor werkzaamheid van deze pilot.
[1] International OCD Foundation. When Automatic Bodily Processes Become Conscious. https://iocdf.org/expert-opinions/when-automatic-bodily-processes-become-conscious-how-to-disengage-from-sensorimotor-obsessions/
[2] International OCD Foundation. Body-Focused Repetitive Behaviors. https://iocdf.org/about-ocd/related-disorders/body-focused-repetitive-behaviors/
[3] National Eye Institute. How to watch an eclipse, safely. https://www.nei.nih.gov/research-and-training/research-news/how-watch-eclipse-safely
[4] NICE. Obsessive-compulsive disorder and body dysmorphic disorder: treatment. Aanbevelingen, met name 1.5.2.2. https://www.nice.org.uk/guidance/cg31/chapter/Recommendations
[5] Braun V, Clarke V. Reflecting on reflexive thematic analysis. Qualitative Research in Sport, Exercise and Health. 2019;11(4):589–597.
[6] Summerfeldt LJ. Understanding and treating incompleteness in obsessive-compulsive disorder. Journal of Clinical Psychology. 2004;60(11):1155–1168.
[7] Dar R, Lazarov A, Liberman N. Seeking proxies for internal states (SPIS): Towards a novel model of obsessive-compulsive disorder. Behaviour Research and Therapy. 2021;147:103987.
[8] Lazarov A, Liberman N, Dar R. The Seeking Proxies for Internal States (SPIS) model of OCD: A comprehensive review of current findings and implications for future directions. Current Neuropharmacology. 2024. https://pmc.ncbi.nlm.nih.gov/articles/PMC11284725/
[9] Aardema F, O’Connor KP, Emmelkamp PMG, Marchand A, Todorov C. Inferential confusion in obsessive-compulsive disorder: the Inferential Confusion Questionnaire. Behaviour Research and Therapy. 2005;43(3):293–308.
[10] van den Hout M, Kindt M. Repeated checking causes memory distrust. Behaviour Research and Therapy. 2003;41(3):301–316.
[11] van den Hout MA, Engelhard IM, de Boer C, du Bois A, Dek E. Perseverative and compulsive-like staring causes uncertainty about perception. Behaviour Research and Therapy. 2008;46(12):1300–1304.
[12] van den Hout MA, Engelhard IM, Smeets M, Dek ECP, Turksma K, Saric R. Uncertainty about perception and dissociation after compulsive-like staring: Time course of effects. Behaviour Research and Therapy. 2009;47(6):535–539.
[13] Ferrão YA, Shavitt RG, Prado H, Fontenelle LF, Malavazzi DM, de Mathis MA, et al. Sensory phenomena associated with repetitive behaviors in obsessive-compulsive disorder: an exploratory study of 1001 patients. Psychiatry Research. 2012;197(3):253–258.
[14] Moreno-Amador B, Cervin M, Martínez-González AE, Piqueras JA. Sensory overresponsivity and symptoms across the obsessive-compulsive spectrum: web-based longitudinal observational study. Journal of Medical Internet Research. 2023. https://doi.org/10.2196/37847
[15] Salkovskis PM. Obsessional-compulsive problems: a cognitive-behavioural analysis. Behaviour Research and Therapy. 1985;23(5):571–583.
[16] Shafran R, Thordarson DS, Rachman S. Thought-action fusion in obsessive compulsive disorder. Journal of Anxiety Disorders. 1996;10(5):379–391.
[17] Wells A. Detached mindfulness in cognitive therapy: a metacognitive analysis and ten techniques. Journal of Rational-Emotive and Cognitive-Behavior Therapy. 2005;23(4):337–355.
[18] Twohig MP, Hayes SC, Plumb JC, Pruitt LD, Collins AB, Hazlett-Stevens H, Woidneck MR. A randomized clinical trial of acceptance and commitment therapy versus progressive relaxation training for obsessive-compulsive disorder. Journal of Consulting and Clinical Psychology. 2010;78(5):705–716.
[19] Külz AK, Landmann S, Cludius B, Rose N, Heidenreich T, Jelinek L, et al. Mindfulness-based cognitive therapy (MBCT) in patients with obsessive-compulsive disorder (OCD) and residual symptoms after cognitive behavioral therapy (CBT): a randomized controlled trial. European Archives of Psychiatry and Clinical Neuroscience. 2019;269(2):223–233.
[20] Cludius B, Landmann S, Rose N, Heidenreich T, Hottenrott B, Schröder J, et al. Long-term effects of mindfulness-based cognitive therapy in patients with obsessive-compulsive disorder and residual symptoms after cognitive behavioral therapy: twelve-month follow-up of a randomized controlled trial. Psychiatry Research. 2020;291:113119.