Wie kijkt er eigenlijk? Kant en de grond van het getuigenbewustzijn

Probeer dit eens. Merk je adem op. Gewoon de beweging, het in en het uit.

Merk nu op dat je je adem opmerkt.

En dan de vraag die alles openbreekt: wie merkt dát op?

Wie dit oprecht probeert, loopt tegen iets merkwaardigs aan. Je kunt niet buiten jezelf gaan staan om met je vinger naar de bron van je bewustzijn te wijzen. Op het moment dat je wijst, kijk je al vanuit een nieuwe positie. Wat je zojuist aanwees, is object geworden. En de aanwijzer is weer een stap teruggeweken.

Dat lijkt een beperking. In het Innerlijk Laboratorium behandelen we het als een vondst.

De terugwijkende kijker

Wat er in die oefening gebeurt, is geen verplaatsing door de ruimte. Je beweegt je niet naar achteren in je hoofd. Je beweegt je door de structuur van het bewustzijn zelf: van adem, naar het opmerken van adem, naar het opmerken van dat opmerken. Je kunt die beweging volgen als een spoor dat steeds verder terugloopt richting een bron.

Maar die bron verschijnt nooit als iets. Alles wat je kunt aanwijzen, is per definitie al voorwerp van bewustzijn, en dus niet het bewustzijn zelf. Wat overblijft is geen ding, maar een soort niet-dingheid waaruit het waarnemen opkomt. Je zou het de grond van het bewustzijn kunnen noemen.

Dat is het moment waarop de getuige zich aandient.

Wat Kant zag

Immanuel Kant stuitte in de Kritik der reinen Vernunft (1781/1787) op precies deze structuur, langs een heel andere weg. Hij vroeg niet: wat ervaar ik als ik naar binnen kijk? Hij vroeg: wat moet er al gegeven zijn opdat ervaring überhaupt mogelijk is?

Zijn antwoord staat in een beroemde zin: “Das: Ich denke, muß alle meine Vorstellungen begleiten können” (B131). Het “ik denk” moet al mijn voorstellingen kunnen vergezellen. Anders zouden ze niet de mijne zijn, en zou er geen samenhangende ervaring bestaan, alleen losse flarden.

Kant noemt dit de transcendentale eenheid van de apperceptie. Het is de stille, eenmakende functie die ervoor zorgt dat adem, geluid, gedachte en gevoel in één veld verschijnen. En hij voegt er iets aan toe dat in onze oefening direct herkenbaar is: dit transcendentale subject kan zelf nooit object van kennis worden. Het is een “X”, schrijft hij (A346/B404), dat we alleen kennen via de gedachten die het draagt, en waar we “ons in een voortdurende kringloop omheen draaien”, omdat we het al moeten gebruiken om er iets over te zeggen.

Dat is de terugwijkende kijker, in de taal van de achttiende eeuw.

Waar het laboratorium verder gaat

Hier moeten we eerlijk zijn. Voor Kant is de transcendentale grond een logische noodzaak, geen ervaringsfeit. Hij ontkende uitdrukkelijk dat de mens een “intellectuele aanschouwing” heeft, een directe innerlijke schouwing van het eigen zelf. Wie beweert de grond te zien, valt volgens Kant in de valkuilen die hij de paralogismen noemde: het verwarren van een denkvoorwaarde met een waarneembaar ding.

Daarin staat hij scherp. En daarin heeft hij gelijk, voor zover het gaat om kennis van een object. Dat is ook precies wat de oefening laat zien: er is geen object te vinden.

Het Innerlijk Laboratorium vertrekt echter vanuit een eerstepersoons fenomenologie, niet vanuit een kentheorie. De vraag is dan niet of we de grond als ding kunnen kennen (nee, daarin volgen we Kant), maar of er een ervaarbare verandering in positie optreedt wanneer de aandacht ophoudt met grijpen. Dat is een andere claim, en een bescheidener. Na Kant hebben Fichte en later Dieter Henrich (Fichtes ursprüngliche Einsicht, 1966) laten zien dat zelfbewustzijn niet verklaard kan worden als een spiegel die zichzelf bekijkt: dat leidt tot een oneindige regressie. Er moet een vertrouwdheid met zichzelf zijn die aan elke reflectie voorafgaat. Contemplatieve tradities, van het Vedantische neti neti tot de Boeddhistische analyse van het waarnemen, hebben die vertrouwdheid altijd beoefend in plaats van beredeneerd.

Kant levert het fundament: de grond is reëel als voorwaarde en onbereikbaar als object. De praktijk voegt toe: je kunt er wel uit leren kijken, ook al kun je er nooit naar kijken.

De getuige als werkpositie

In het laboratorium noemen we die positie de getuige. Niet een tweede ik dat boven het eerste zweeft, maar de manier waarop bewustzijn aanwezig is wanneer het niet samenvalt met zijn inhoud. De getuige is geen ding, en daarom kan hij niet beschadigd, overspoeld of bezet worden door wat er verschijnt. Gedachten, angsten, beelden: ze komen op in het veld, maar het veld zelf is geen gedachte.

Daar ligt de praktische waarde. Wie weet dat de kijker nooit object wordt, hoeft zich niet meer te verdedigen tegen elke inhoud alsof die het zelf zou kunnen overnemen. De operator, de handelende kant van het laboratorium, kan dan vanuit die ruimte werken: kiezen, vormen, richten, zonder te verdrinken in wat hij bewerkt.

De oefening, opnieuw

Probeer het nog een keer, langzaam.

Merk je adem op. Merk het opmerken op. Vraag wie er opmerkt.

En kijk niet naar een antwoord. Merk alleen op dat elk antwoord dat verschijnt, al verschenen is. Iets anders was er eerder. Kant gaf het een naam en verbood ons het te bezitten. Het laboratorium vraagt je er alleen in te rusten.

Leave a comment