Een plek waar dwang niet bij kan
In onze online oefengroep voor mensen met OCD opende de psychiater Menno Oosterhoff een bijeenkomst met de oefening die hem vanaf het begin het meest raakte: de getuigeoefening. Zijn eerste gedachte toen hij haar leerde kennen, vertelde hij, was eenvoudig: “Hé, dat is een plek, daar kan dwang niet bij.”
Waarom niet? Omdat de oefening zelfs de twijfel over de oefening opvangt. Denk je “doe ik het wel goed?”, dan doe je een stapje terug en zie je: nu komt de gedachte op of ik het wel goed doe. Die gedachte wordt niet bestreden en niet opgelost. Ze wordt gezien.
In deze blog volgen we die bijeenkomst: de korte oefening, de vragen van deelnemers en het gesprek dat erop volgde. En we voegen er wat achtergrond aan toe, uit de OCD-literatuur en uit de contemplatieve tradities waar de Getuige vandaan komt.
Dwang als psychisch astma
Menno werkt momenteel aan een wetenschappelijk artikel over wat het wezenlijke van dwang is. Hij komt uit bij een beeld: dwang als psychisch astma. Je ademt in en je blijft hangen. Of het nu gaat om iets bedreigends, iets wat niet in orde is, iets walgelijks, iets vergetens of iets wat niet symmetrisch is: je komt er niet meer vanaf. Dwang is in dit beeld een uitademprobleem.
Dat sluit aan bij hoe het onderzoek OCD steeds vaker beschrijft. Niet de inhoud van de gedachte is het probleem, want vrijwel iedereen heeft weleens een vreemde of beangstigende gedachte. Het probleem is het onvermogen om onzekerheid, onvolkomenheid en risico te laten passeren.
In de cognitieve literatuur heet dat intolerantie voor onzekerheid, een van de kernovertuigingen die de internationale Obsessive Compulsive Cognitions Working Group in 1997 bij OCD beschreef, naast onder meer opgeblazen verantwoordelijkheid en de behoefte gedachten te beheersen.
Het beeld van de adem maakt iets voelbaar wat die begrippen abstract laten. Een compulsie is een poging om alsnog uit te kunnen ademen: even opluchting. Maar die opluchting is kort, en ze leert het systeem dat de spanning werkelijk ergens over ging. De volgende keer blijf je nog iets langer hangen.
Zien zonder te strijden
Wat Menno vooral aanspreekt, is dat de getuigeoefening niet vraagt om te accepteren, en ook niet om je ertegen te verzetten. Je hoeft een rotgedachte niet te omarmen. Je mag ook waarnemen: wat baal ik ervan dat ik hier zo door in beslag word genomen. Maar ook dat neem je neutraal waar. De Getuige is, in zijn woorden, een emotieloze waarnemer. Zij is niet geërgerd door een storend geluid; zij ziet dat er ergernis is.
Dat onderscheid is subtiel en belangrijk. Veel mensen met OCD hebben acceptatie geleerd als nieuwe opdracht, en een opdracht kan bij dwang snel een nieuwe maatstaf worden: accepteer ik het wel genoeg? De Getuige vraagt niets. Ze ziet ook de weerstand, en ook de ergernis over de weerstand.
Het idee is oud. In de Indiase filosofie heet deze waarnemende instantie sākṣī, de getuige: het bewustzijn dat de bewegingen van de geest ziet zonder er zelf door bewogen te worden. In Sāṃkhya en Advaita Vedānta is dat een metafysische claim over wie we werkelijk zijn. In dit werk gebruiken we het bescheidener, als een vermogen dat je kunt oefenen.
In de moderne psychotherapie bestaan verwante begrippen. Adrian Wells beschrijft in de metacognitieve therapie detached mindfulness: gedachten waarnemen als gebeurtenissen in de geest, zonder erop in te gaan en zonder ze te onderdrukken. ACT spreekt van defusie. Die verwantschap is geen zwakte. Ze laat zien dat verschillende tradities, onafhankelijk van elkaar, op hetzelfde vermogen zijn uitgekomen.
De Getuige is geen controleur
In de groep kwam een vraag terug die bij OCD voor de hand ligt: als ik de Getuige vaker oefen, word ik dan niet gewoon een betere controleur?
Jan maakte daar een scherp onderscheid. De controleur is een instantie die opkomt wanneer iets niet goed lijkt en anders moet. De Getuige is een vorm van aanwezigheid: een opmerkzaamheid in je eigen veld van bewustzijn, zonder moeten en zonder falen. Het zijn, zei hij, totaal verschillende categorieën.
Het verschil zit in de opdracht. De controleur kijkt om iets vast te stellen: is het veilig, is het af, klopt het? Hoe meer hij scant, hoe meer hij vindt. De Getuige kijkt zonder iets te hoeven vaststellen.
Dat is meer dan een filosofisch verschil. Utrechts onderzoek van Marcel van den Hout en Merel Kindt liet zien dat herhaald controleren de nauwkeurigheid van het geheugen niet aantast, maar wel het vertrouwen erin. Hoe vaker je controleert of het gas uit is, hoe minder zeker je het weet. Vervolgonderzoek vond iets vergelijkbaars voor langdurig staren: wie lang naar een gaspit of lamp kijkt, wordt onzekerder over wat hij ziet.
Meer kijken levert dus niet meer zekerheid op, maar minder. Daarom is het zo belangrijk dat de Getuige niet verifieert. Ze merkt op en laat het daarbij. Een deelnemer vatte het probleem in een eerdere bijeenkomst treffend samen: zoveel opmerken en er niet op durven vertrouwen. De Getuige is een oefening in het omgekeerde.
Je doet het niet, je herinnert het je
Een deelnemer vroeg Menno hoe het effect zich in het dagelijks leven laat zien. Denk je dan bewust aan de oefening, of merk je het in de flow van het handelen? Het laatste, antwoordde hij. Als er een emotie opkomt, is er even ruimte om te kijken wat hij ermee wil. Hij kan nog steeds prikkelbaar reageren, maar er is vaker een moment waarop hij denkt: ach, wat maakt het ook uit. Hij wordt minder meegesleurd.
Andere deelnemers herkenden het juist omgekeerd. Zij herinneren zich op een moment van onrust de oefening, en nemen dan bewust even de getuigepositie in. Een deelnemer beschreef hoe ze dat doet als ze ergens achter blijft haken, met het gevoel dat ze nog iets moest doen of onthouden: hé, nu heb ik het gevoel dat er iets van wezensbelang is.
Jan noemde de Getuige daarom eerder een geschenk dan een daad. Het is een ontvankelijkheid. Door iets in de dag word je wakker geschud, en dan herinner je je de mogelijkheid om op dat moment getuige te zijn. Wie doet dat eigenlijk? Het is meer een uitnodiging om ergens in te zakken en even al het andere te laten vallen.
Het woord herinneren is hier goed gekozen. Het Pali-woord sati, dat we meestal met mindfulness vertalen, betekent oorspronkelijk herinnering of indachtig zijn. En in de traditie van Gurdjieff heet de centrale oefening zelfherinnering: telkens weer opmerken dat je er bent, midden in wat je doet. Steeds opnieuw beginnen is dan geen falen. Het is de oefening zelf.
Twee minuten, en dan is het klaar
Een deelnemer had in het werkboek gelezen dat je een oefening niet moet overdoen, en vroeg zich af of je haar dan wel meerdere keren per dag mag doen. Het antwoord laat zien hoe het werkboek met dwang rekening houdt.
Als je gaat zitten zonder vaste duur, zei Jan, ga je na twee minuten denken: het ging eigenlijk helemaal niet goed, ik moet het overdoen. En voor je het weet ben je weer weggezogen. Daarom is de afspraak helder: deze meditatie duurt twee minuten, of vijf, of tien, en dan is het klaar. Niet langer omdat het nog niet goed voelde, niet opnieuw omdat het beter moest. De meditatie is zoals ze is.
In de OCD-literatuur heet het gevoel dat iets nog niet af of niet juist is een not-just-right-ervaring, of incompleetheid. Een oefening die eindigt wanneer het goed voelt, voedt juist dat gevoel. Een oefening die eindigt op de klok, oefent het tegenovergestelde: stoppen terwijl het nog niet af voelt.
Dat is iets anders dan de Getuige in het dagelijks leven. Elke keer dat je je herinnerd wordt, in de flow, onderweg, midden in een gesprek, is welkom. De formele oefening heeft een begin en een eind. De herinnering mag altijd.
Gelassenheit en de kunst van de dooddoener
Voor wat de oefening in het dagelijks leven oplevert, gebruikt Menno het Duitse woord Gelassenheit. Hij vertaalt het bewust niet als gelatenheid, dat te passief klinkt, maar als laatmaarheid: het vermogen om iets te laten zijn. Let it be.
Het woord heeft een lange geschiedenis. Bij de middeleeuwse mysticus Meister Eckhart betekent gelāzenheit het loslaten van de eigen wil, zodat er ruimte ontstaat. Martin Heidegger nam het begrip in 1959 op in een kort boek met die titel, als houding tegenover techniek en denken: niet grijpen, maar laten. Beide gebruiken het woord voor een actieve openheid, niet voor berusting.
Menno koppelt het aan iets heel alledaags: dooddoeners. Komt tijd, komt raad. Dat zien we dan wel weer. En de dooddoener der dooddoeners: het is wat het is. Je kunt er niets tegenin brengen, en dat is precies hun kracht. In het Engels heten ze conversation stoppers. Ze hoeven niet altijd waar te zijn, zegt hij, maar het is goed om ervan uit te gaan.
Dat is een interessante omkering. Psychiater Robert Jay Lifton beschreef in 1961 het thought-terminating cliché als middel om kritisch denken af te kappen. Bij OCD is afkappen nu juist wat nodig is: niet van kritisch denken, maar van het eindeloze doordenken dat zekerheid zoekt waar die niet te krijgen is. Een dooddoener is dan een kleine oefening in uitademen.
Probeer het zelf: twee minuten Getuige
Dit is de oefening zoals Menno haar in de groep begeleidde. Zet een wekker op twee minuten.
- Ga zitten met gesloten ogen, handen op je knieën, voeten op de grond.
- Adem in door je neus en uit door je mond. Voel bij elke uitademing hoe je wat dieper wegzakt in de stoel of de grond die je draagt.
- Merk het korte rustmoment op na de uitademing, voordat de volgende inademing komt.
- Luister naar geluiden in de verte, of naar het suizen in je oren. Neem ze neutraal waar.
- Stoort een geluid je, neem dan ook de ergernis waar. Jij ziet de ergernis; de Getuige is niet geërgerd.
- Komen er gedachten, laat ze komen. Houd ze niet tegen, duw ze niet weg, ga er niet in mee. Blijf kijken.
- Komt de gedachte dat iets per se moet worden uitgedacht of opgelost, zie dan ook die: nu voelt het alsof dit heel belangrijk is.
- Denk je “dit lukt me niet”, dan is ook dat iets om waar te nemen.
- Gaat de wekker, adem dan diep in, adem alles uit en open je ogen. Klaar, ook als het niet goed voelde.
Menno merkte op dat het na een korte shake-oefening vaak rustiger is in het hoofd. Maar het maakt niet uit. Ook als het onrustig blijft, kun je waarnemen hoeveel onrust er voorbij komt.
Vertrouwen oefenen
Menno zoekt al lang naar manieren om mensen met dwang te helpen naast medicatie, die onrust dempt, en gedragstherapie, die je leert onrust te verdragen door je eraan bloot te stellen. Zijn vraag is of er ook iets is waarmee je het vertrouwen kunt versterken. Toen hij Jan ontmoette, die net bezig was met het boek Het Innerlijke Laboratorium, vond hij dat het daar heel erg bij aansloot.
Dat is wat we nu met een kleine groep onderzoeken: kan een algemene scholingsweg in zelfkennis iets specifieks opleveren voor mensen met dwang? Het boek gaat veel verder dan OCD; het werkboek is er een praktisch extract van, met aandacht voor de valkuilen die dwang met zich meebrengt. Je hoeft niet de hele weg te gaan. Een deelnemer zei het mooi: je kunt gewoon beginnen en zien waar het schip strandt.
Tot nu toe zijn de reacties positief, maar bescheiden. Geen verdwenen dwang, wel een seconde ruimte, minder meegesleurd worden, een moment van laatmaarheid. Of dat blijvend is en voor wie het werkt, moet nog blijken. Maar het past bij wat het onderzoek over OCD ons leert: niet meer zekerheid is het antwoord, maar meer vertrouwen. En vertrouwen kun je, zo lijkt het, oefenen. Twee minuten per keer.
Jan M. Keppel Hesselink en Menno Oosterhoff