Het Innerlijke Laboratorium: Religiositeit in de 21ste eeuw

Over de herontdekking van een verticale dimensie in het menselijk bestaan

Dit essay vormt de kern van het gedachtegoed achter Het Innerlijke Laboratorium: een boek dat eind dit jaar verschijnt. Wie ondertussen alvast wil kennismaken met het onderzoek, vindt op het gelijknamige YouTube-kanaal nu al verdieping en achtergrond: youtube.com/@HetInnerlijkeLaboratorium

De inspiratiebron ligt in een lang gesprek dat Menno Oostergoff, Mart van Lieburg en ikzelve mochten hebben met professor Herman van Praag, nestor van de moderne psychiatrie, op 4-8-2026 te Bilthoven.


Een dimensie die uit beeld is geraakt

De moderne mens weet meer over zichzelf dan enige generatie voor hem. We beschikken over een steeds verfijnder begrip van het lichaam, het brein, gedrag, ontwikkeling en ziekte. We kunnen processen volgen die zich afspelen op het niveau van moleculen en neurale netwerken en begrijpen steeds beter hoe onze waarneming wordt gevormd door geheugen, verwachting, emotie en omgeving.

Deze kennis heeft ons leven diepgaand veranderd. Veel verschijnselen die vroeger aan bovennatuurlijke krachten werden toegeschreven, kunnen tegenwoordig binnen de natuurwetenschappen worden beschreven. Tegelijkertijd is iets anders minder vanzelfsprekend geworden. In vrijwel alle vroegere culturen leefde de mens binnen een werkelijkheid waarin zijn individuele bestaan deel uitmaakte van een grotere orde. Die orde kon religieus, kosmologisch of mythisch worden gedacht, maar zij gaf het leven een richting die verder reikte dan de onmiddellijke omstandigheden van het persoonlijke bestaan.

De mens stond niet alleen in verhouding tot zijn familie, zijn gemeenschap en de zichtbare wereld, maar ook tot iets wat hem te boven ging.

Voor veel mensen heeft deze verticale dimensie haar vanzelfsprekendheid verloren. De beelden waarmee zij eeuwenlang werd vormgegeven, dragen niet meer zoals vroeger. God, hemel, ziel en openbaring behoren voor een groot deel van onze cultuur niet langer tot een algemeen gedeelde werkelijkheid. Zelfs waar religieuze taal behouden bleef, is de ervaring die haar ooit voedde vaak naar de achtergrond verdwenen.

Het gevolg is een merkwaardige situatie. De moderne mens kan rationeel zeer ontwikkeld zijn en tegelijkertijd nauwelijks beschikken over een taal of methode waarmee hij de transcendente dimensies van zijn eigen ervaring kan onderzoeken.

Het Innerlijke Laboratorium is vanuit dat probleem ontstaan.

De centrale vraag is of een verticale dimensie opnieuw toegankelijk kan worden vanuit de primaire ervaring van de mens zelf. Het onderzoek begint dus bij wat werkelijk in ons verschijnt: gedachten, gevoelens, lichamelijke gewaarwordingen, licht, beelden, stilte, ruimte, aanwezigheid en de soms moeilijk te benoemen veranderingen van bewustzijn die daarbij kunnen optreden.

Bewustzijn als instrument

Wie in de wetenschap iets wil onderzoeken dat met het blote oog ontoegankelijk blijft, ontwikkelt een instrument. Een microscoop maakt structuren zichtbaar die anders verborgen blijven, een telescoop verruimt het bereik van het oog en een elektro-encefalogram maakt dynamiek zichtbaar die rechtstreeks niet waarneembaar is.

Bij onderzoek van bewustzijn doet zich een bijzondere situatie voor. De onderzoeker en het instrument vallen gedeeltelijk samen. Wij gebruiken bewustzijn om bewustzijn te onderzoeken.

Daarmee wordt de kwaliteit van het instrument van rechtstreeks belang. Een aandacht die voortdurend wordt meegesleept door gedachten, emoties en verwachtingen kan slechts beperkt waarnemen wat zich werkelijk voordoet. Wie zichzelf enige tijd zorgvuldig observeert, ontdekt al snel hoe snel een stemming een situatie kleurt, hoe een gedachte een andere oproept en hoe gemakkelijk een impuls als een bewuste beslissing wordt ervaren.

Het Innerlijke Laboratorium begint daarom met het ontwikkelen van een eenvoudige maar ingrijpende vaardigheid: leren zien wat er in ons gebeurt terwijl het gebeurt.

Een gedachte kan worden waargenomen terwijl zij ontstaat. Een emotie kan volledig worden gevoeld terwijl tegelijkertijd zichtbaar blijft dat zij een veranderende toestand is. Ook een lichamelijke impuls kan worden opgemerkt voordat ernaar wordt gehandeld.

Uit deze oefening ontwikkelt zich wat in het boek de Getuige wordt genoemd.

De Getuige is een praktische functie van het bewustzijn waarmee een zekere ruimte ontstaat tussen wat verschijnt en degene die het ervaart. Daardoor wordt het mogelijk gedachten, emoties en innerlijke beelden te onderzoeken zonder er onmiddellijk door te worden bepaald.

Dat kleine verschil heeft grote gevolgen. Waar waarneming ontstaat, ontstaat ook keuzevrijheid.

Van waarnemen naar scheppen

De mens kan echter meer dan alleen waarnemen wat spontaan in hem verschijnt. Hij kan zijn innerlijke toestand actief beïnvloeden. Aandacht kan worden gericht, adem kan bewust veranderen, beelden kunnen worden gevormd, klanken kunnen worden gebruikt en een innerlijke ruimte kan doelgericht worden opgebouwd.

Dit vermogen noemen we de Operator.

De Operator werkt binnen de ruimte die door de Getuige wordt bewaakt. Daardoor kunnen we met de innerlijke werkelijkheid experimenteren terwijl we ons blijven realiseren wat we zelf aan het proces toevoegen.

Hier begint een gebied dat in contemplatieve, mystieke en esoterische tradities uitvoerig werd onderzocht, maar dat in de moderne psychologie slechts ten dele een plaats heeft gekregen.

De mens blijkt namelijk niet alleen ontvankelijk te zijn voor beelden. Hij kan ook beeldend scheppen.

Verbeelding als menselijk vermogen

Onze taal maakt van verbeelding gemakkelijk iets vrijblijvends. Iemand “beeldt zich iets in” en daarmee wordt vaak bedoeld dat hij iets voor werkelijk houdt wat niet bestaat.

Maar daarmee verdwijnt een belangrijk onderscheid.

Verbeelding is een fundamenteel scheppend vermogen. Iedere menselijke cultuur is eruit voortgekomen. Een kathedraal bestond als innerlijke voorstelling voordat zij in steen werd gebouwd. Een symfonie ontstond voordat zij gespeeld kon worden. Een wetenschappelijke theorie moest eerst denkbaar worden voordat experimenten haar konden toetsen.

De mens neemt de wereld dus niet alleen waar. Hij brengt vormen voort die daarvoor nog niet bestonden.

Precies dit vermogen krijgt binnen Het Innerlijke Laboratorium een centrale plaats, omdat innerlijke beelden ook een eigen ervaringsgebied kunnen openen.

Dat idee is oud.

De twaalfde-eeuwse mystica Hildegard von Bingen beschreef gedurende haar leven krachtige visuele ervaringen waarin licht, kosmische structuren en symbolische figuren verschenen. Zij werkte deze ervaringen uit in teksten als Scivias en liet ze vergezeld gaan van complexe afbeeldingen. Voor Hildegard hadden deze beelden een religieuze betekenis, passend binnen haar christelijke wereldbeeld. Voor ons is daarnaast iets anders interessant: een mens kon een innerlijke visuele ervaring zo serieus nemen dat zij jarenlang werd onderzocht, beschreven, getekend, muzikaal verwerkt en uiteindelijk een volledige intellectuele en spirituele wereld hielp vormen.

Hildegards beelden bleven dus niet vluchtige verschijnselen. Zij werden materiaal voor een levenslange ontwikkeling.

Jung en de innerlijke beelden

Acht eeuwen later treffen we iets vergelijkbaars aan bij Carl Gustav Jung, binnen een volledig andere culturele en intellectuele context.

Na zijn breuk met Freud rond 1912 kwam Jung terecht in een periode waarin krachtige fantasieën en beelden zich aan hem opdrongen. In plaats van deze stroom eenvoudig te onderdrukken, begon hij ermee te werken. Hij schreef zijn ervaringen op, tekende en schilderde de beelden en ging soms in dialoog met de figuren die in zijn innerlijke wereld verschenen.

Het materiaal werd aanvankelijk vastgelegd in zijn Black Books en later uitgewerkt in wat we nu kennen als The Red Book. Jung zelf beschouwde deze periode uiteindelijk als beslissend voor zijn latere psychologie. De Library of Congress vat het proces treffend samen als zijn “confrontation with the unconscious”; uit deze ervaringen groeiden later belangrijke elementen van zijn denken over archetypen, individuation en actieve imaginatie.

Juist Jungs werkwijze is hier interessant. Hij behandelde de beelden die in hem verschenen alsof zij de moeite waard waren om te ontmoeten en te onderzoeken. Tegelijkertijd probeerde hij zich ertoe te verhouden zonder eenvoudigweg door de beelden te worden meegesleept. Dat vermogen om zich aan het proces over te geven en er tegelijk een zekere afstand toe te bewaren, komt opvallend dicht in de buurt van de verhouding tussen Getuige en Operator.

Jung ontwikkelde hieruit later zijn methode van actieve imaginatie. De mens laat een beeld ontstaan, blijft erbij aanwezig en ziet vervolgens hoe het zich verder ontwikkelt. Het innerlijke beeld wordt daarmee een gebeurtenis waarmee een relatie kan ontstaan.

Het fascinerende moment ontstaat wanneer een beeld dat bewust werd opgeroepen zich begint te gedragen op een manier die niet meer volledig bewust werd ontworpen.

Wanneer maken overgaat in ontmoeten

Iedere kunstenaar kent in zekere mate dit verschijnsel. Een schrijver ontdekt tijdens het schrijven dat een personage iets doet wat hij tevoren niet had gepland. Een schilder ziet tijdens het werken een compositie ontstaan die hij aanvankelijk niet voor ogen had. Een componist kan een muzikale wending ervaren alsof hij haar eerder ontdekt dan verzint.

Iets soortgelijks kan in de innerlijke verbeelding gebeuren.

Men begint met een vorm die bewust is geschapen. Vervolgens verschijnt een detail dat niet werd gepland, waarna het beeld zich verder ontwikkelt. Een figuur kan bewegen, spreken of veranderen. Een landschap kan zich openen. Soms ontstaat daarbij een uitgesproken ervaring van aanwezigheid.

Psychologisch kunnen zulke gebeurtenissen worden begrepen als het zichtbaar worden van processen die zich buiten het gewone bewuste denken afspelen. Dat is op zichzelf al buitengewoon interessant.

Toch blijft er een verdergaande vraag bestaan. De mens heeft door de eeuwen heen juist in zulke ervaringen soms een ontmoeting met iets ervaren dat groter was dan zijn gewone persoonlijkheid.

Daar begint voor Het Innerlijke Laboratorium de mogelijkheid van verticaliteit.

De verticale ervaring

Verticaliteit verwijst hier naar een ervaringsrichting waarin de gewone begrenzing van het individuele bestaan tijdelijk verandert. De verhouding tot ruimte, tijd en eigen identiteit kan daarbij verschuiven. Er kan een intens innerlijk licht verschijnen, een gevoel van grote stilte, een ervaring van aanwezigheid of een plotselinge ruimtelijkheid waarin het gewone zelf minder centraal lijkt te staan.

Mystieke tradities hebben zulke ervaringen op zeer uiteenlopende manieren beschreven. De christelijke mysticus gebruikte de taal van God, genade en licht. In de Vedanta ontstond de taal van Atman en Brahman. Boeddhistische tradities ontwikkelden hun eigen begrippen rond leegte en bevrijding. Esoterische scholen spraken over innerlijke werelden, hogere lichamen of geestelijke wezens.

Het Innerlijke Laboratorium neemt deze beschrijvingen serieus als historische getuigenissen van menselijke ervaring, terwijl de interpretatie ervan voorlopig openblijft.

Daarmee wordt de verticale dimensie weer toegankelijk als onderzoeksgebied.

Eerst de ervaring

Wanneer iemand tijdens meditatie een fel innerlijk licht ziet, weten we allereerst dat er licht werd ervaren. Wanneer de lichaamsgrenzen verdwijnen, weten we dat de normale representatie van het lichaam tijdelijk veranderde. Wanneer iemand een aanwezigheid ervaart, is die ervaring van aanwezigheid het primaire gegeven.

Daarna begint de interpretatie.

Een neuroloog kan onderzoeken welke hersenprocessen ermee samenhangen. Een psycholoog kan vragen naar verwachting, context en persoonlijkheid. Een religieuze traditie kan het verschijnsel plaatsen binnen haar eigen symbolische wereld.

Het Innerlijke Laboratorium probeert in eerste instantie zo dicht mogelijk bij het verschijnsel zelf te blijven.

Dat betekent ook dat een indrukwekkende ervaring niet onmiddellijk autoriteit krijgt. Een innerlijke figuur die zich presenteert als Christus, Kali of een engel heeft daarmee nog geen metafysisch legitimatiebewijs overlegd. Een gevoel van absolute zekerheid blijft eveneens een ervaring en vormt op zichzelf geen bewijs voor de inhoud ervan.

Juist hier krijgt de Getuige opnieuw zijn betekenis.

Wat blijft er over wanneer de ervaring voorbij is?

De uiteindelijke betekenis van zulke ervaringen wordt vaak pas later zichtbaar.

Een spectaculair visioen kan na enkele dagen vrijwel zijn verdwenen. Een subtiele ervaring tijdens meditatie kan daarentegen maanden later nog doorwerken in de wijze waarop iemand zichzelf en anderen tegemoet treedt.

Daarom kijkt Het Innerlijke Laboratorium vooral naar ontwikkeling.

Ervaringen worden interessant wanneer zij iets duurzaams veranderen in de manier waarop iemand leeft. Misschien vermindert de automatische identificatie met angst. Misschien wordt boosheid eerder herkend voordat zij tot handelen leidt. Misschien ontstaat een grotere gevoeligheid voor anderen of een diepere ervaring van betekenis in het dagelijks leven.

Mystieke ervaring krijgt daarmee een plaats binnen een ontwikkeling die zich uiteindelijk opnieuw in het gewone leven moet bewijzen.

Recent grootschalig onderzoek onderschrijft dit patroon. Een studie onder meer dan vijfduizend deelnemers naar de manier waarop mensen buitengewone, “nonordinary” ervaringen interpreteren, liet zien dat ongeveer een kwart op het moment zelf last had van de ervaring, terwijl ruim de helft haar achteraf als blijvend positief voor hun leven beoordeelde. Niet de ervaring op zichzelf bleek bepalend voor de uitkomst, maar de manier waarop zij werd geïnterpreteerd en verwerkt (Fortes et al., 2026, PLOS ONE). Dat is precies het proces waarin de Getuige een rol speelt.

Jung gebruikte hiervoor uiteindelijk het begrip individuatie. De innerlijke beelden waren voor hem geen eindpunt. Zij leverden materiaal voor een proces waarin delen van de persoonlijkheid die eerder buiten het bewuste leven lagen geleidelijk konden worden geïntegreerd. Zijn Red Book vormde het ervaringsmateriaal waaruit een belangrijk deel van zijn latere psychologie groeide.

Hildegard deed vanuit een volkomen ander wereldbeeld iets vergelijkbaars. Haar visionaire ervaringen vloeiden uit in theologie, muziek, afbeeldingen, correspondentie en praktisch handelen. De ervaring kreeg vorm in een leven.

Het zenuwstelsel als toegang

Dit gehele proces voltrekt zich in een levend lichaam.

Dat lijkt vanzelfsprekend, maar het heeft belangrijke gevolgen. Iedere menselijke ervaring, van het kijken naar een boom tot het ervaren van een mystiek licht, wordt mogelijk gemaakt door een zenuwstelsel. Adem, houding, ritme, aandacht en beweging veranderen voortdurend de toestand van dat systeem en daarmee de manier waarop wij onszelf en onze omgeving ervaren.

Juist hier bestaat een directe verbinding met Breath4Balance.

De adem vormt een bijzonder grensgebied tussen bewuste en autonome processen. Meestal ademen we zonder erbij stil te staan, terwijl we tegelijkertijd in staat zijn het ritme, de diepte en het patroon van de adem bewust te beïnvloeden. Een verandering in ademhaling kan vervolgens doorwerken in spierspanning, hartslag, emoties, aandacht en lichaamsbeleving.

Daarom kan ademwerk verder reiken dan regulatie en ontspanning. Het kan worden gebruikt als instrument om de veranderlijkheid van het bewustzijn zelf te onderzoeken.

Wanneer adem wordt gecombineerd met aandacht, stilte, beweging en imaginatie kan een ervaringsruimte ontstaan die duidelijk verschilt van het normale dagelijkse bewustzijn. Het lichaam wordt daarin geen hindernis die moet worden overstegen, maar juist de toegang waardoor verandering mogelijk wordt.

Een innerlijk laboratorium

Langzaam wordt daarmee duidelijk waarom het woord laboratorium zo geschikt is.

Een laboratorium is een plaats waar omstandigheden doelgericht worden veranderd, zodat verschijnselen zichtbaar kunnen worden die anders verborgen blijven. Precies dat gebeurt hier.

We veranderen aandacht. We veranderen adem. We veranderen de verhouding tot gedachten. We ontwikkelen het vermogen innerlijke beelden bewust te vormen. We observeren vervolgens wat er gebeurt. Het gaat om de kunst van het verbeelden. In de verbeelding scheppen we de interface tussen ons en het Goddelijke.

Daarbij verandert tegelijkertijd het instrument zelf. Naarmate aandacht stabieler wordt en het onderscheid tussen ervaring en interpretatie duidelijker, kan subtieler materiaal worden onderzocht.

De mens wordt daarmee zowel onderzoeker als onderzoeksgebied.

De terugkeer van de verticale as

Aan de oorsprong van Het Innerlijke Laboratorium ligt uiteindelijk een eenvoudige overtuiging: dat het menselijke bestaan armer wordt wanneer zijn werkelijkheid uitsluitend horizontaal wordt gedacht.

Ons leven bestaat vanzelfsprekend uit relaties, werk, lichamelijkheid, verantwoordelijkheid en deelname aan de wereld. Toch kennen mensen ook ervaringen waarin deze bekende orde even wordt geopend en iets zichtbaar wordt dat groter lijkt dan hun persoonlijke geschiedenis.

Vroeger kregen zulke ervaringen vrijwel vanzelf een religieuze betekenis. Tegenwoordig beschikken veel mensen niet meer over een geloofssysteem waarin zij ze kunnen plaatsen.

Misschien ontstaat daardoor juist een nieuwe mogelijkheid.

We kunnen opnieuw leren onderzoeken wat zich in het bewustzijn voordoet zonder vooraf te bepalen wat er gevonden moet worden. De oude tradities leveren daarvoor een immense hoeveelheid ervaringsmateriaal en technieken. De moderne psychologie en neurowetenschap verschaffen andere instrumenten voor begrip. Het kritische bewustzijn dat de moderne mens heeft ontwikkeld hoeft daarbij nergens te verdwijnen.

Zo kan langzamerhand opnieuw een verticale as in het leven ontstaan, opgebouwd vanuit eigen ervaring.

De mens ontdekt dan wellicht dat zijn innerlijke leven aanzienlijk ruimer is dan de bekende stroom van gedachten, emoties en herinneringen. Hij kan leren waarnemen en uiteindelijk ook leren scheppen binnen die ruimte. Soms verschijnt daarbij materiaal dat hij onmiddellijk als het zijne herkent. Soms ontstaat iets onverwachts. En heel soms kan een ervaring een kwaliteit krijgen waarvoor woorden als numineus, sacraal of goddelijk al eeuwenlang worden gebruikt.

Wat de uiteindelijke ontologische status van zulke ervaringen is, blijft een open vraag. Voor het onderzoek is dat geen tekortkoming. Het is juist de ruimte waarin onderzoek mogelijk blijft.

Daarin ligt misschien een vorm van spiritualiteit die bij onze tijd past: een weg waarop persoonlijke ervaring, kritische reflectie en innerlijke ontwikkeling elkaar niet hoeven uit te sluiten.

Het Innerlijke Laboratorium wil die weg toegankelijk maken.

De mens krijgt daarmee opnieuw de mogelijkheid zelf te onderzoeken of er in zijn bestaan een verticale dimensie aanwezig is, hoe deze zich laat benaderen en wat er gebeurt wanneer hij zijn eigen bewustzijn voldoende verfijnt om haar te kunnen ervaren.

Misschien begint de zoektocht naar het goddelijke uiteindelijk precies daar: in het vermogen stil genoeg te worden om waar te nemen wat zich aandient, vrij genoeg om er niet onmiddellijk een geloof van te maken, en scheppend genoeg om de innerlijke ruimte te openen waarin een werkelijke ontmoeting mogelijk kan worden.


Het boek Het Innerlijke Laboratorium verschijnt naar verwachting eind dit jaar. Het kanaal is nu al te bezoeken: youtube.com/@HetInnerlijkeLaboratorium

Leave a comment