Het open riool
Weerzinwekkende dwanggedachten van binnenuit bekeken

Wie aan een dwangstoornis denkt, ziet meestal iemand die zijn handen wast tot ze rauw zijn, die over lijntjes loopt of tien keer terugloopt om te controleren of de deur echt dicht is. Dat bestaat allemaal. Maar het is maar een klein deel van het verhaal.
In een tweede gesprek met psychiater Menno Oosterhoff, die OCD kent van buitenaf als behandelaar en van binnenuit als ervaringsdeskundige, zijn we ingegaan op een vorm van dwang waar bijna niemand over praat. Juist omdat mensen zich ervoor schamen.
Geen zucht naar controle, maar naar rust
Menno begint met een correctie op een woord dat iedereen gebruikt: controlezucht. “Het is geen zucht naar controle,” zegt hij. “Het is een zucht naar rust. Controle is alleen het middel.”
Wie steeds controleert, doet dat niet omdat controleren zo leuk is. Hij doet het omdat hij zo overmatig onrustig is. Die onrust kan angstig gekleurd zijn, maar ook andere vormen hebben. Het echte symptoom is de onrust. De handeling is een poging om daar vanaf te komen.
Dat klinkt als een detail, maar het verandert de blik. Wie denkt dat mensen met dwang controle willen, gaat met die controle in gevecht. Wie begrijpt dat ze rust zoeken, gaat op zoek naar een andere weg naar rust.
Weerzinwekkend, niet verboden
Dan de vorm van dwang waar dit gesprek om draait. In het Engels heet het vaak forbidden thoughts, verboden gedachten. Menno vindt dat een verkeerde naam. “Verboden suggereert dat je het ergens wel wilt, maar het jezelf niet toestaat. Terwijl het juist dingen zijn waar je een enorme weerzin tegen hebt.” Hij spreekt daarom liever van weerzinwekkende gedachten.
Iedereen kent ze in een lichte vorm. Je hebt net je rijbewijs en denkt: stel dat ik nu het stuur omgooi. Je staat op grote hoogte en voelt de gedachte opkomen om over de reling te springen. Dat verschijnsel is zo algemeen dat het een naam heeft: het high place phenomenon, of in het Frans l’appel du vide, de roep van de leegte.
Of je staat op het perron en denkt: stel dat ik iemand voor de trein duw. Je hebt een baby in je armen bovenaan de trap en ziet opeens voor je hoe je hem laat vallen.
“Dat zijn absoluut geen wensen,” zegt Menno. “Het is eerder: o, stel je voor dat ik dit zou doen.”
Hoe de psychoanalyse mensen zieker maakte
Lange tijd werd het anders uitgelegd. Volgens de psychoanalytische visie zat er achter zo’n gedachte een diepe, onderdrukte wens. Voor mensen met deze klachten was dat rampzalig.
Menno noemt jonge moeders die bang waren hun kind iets aan te doen. Hun werd verteld dat ze het kind misschien onbewust iets wilden aandoen, omdat het zoveel tijd kostte en ze niet meer uit konden gaan. “Van zo’n visie word je alleen maar doodziek.”
Want wat opvalt: deze gedachten richten zich altijd op wat je het meest waardevol vindt. Stel dat ik niet meer van mijn kinderen hou. Stel dat ik niet meer om mijn partner geef. Stel dat ik iemand een glas in het gezicht duw. De dwang zoekt precies de plek waar het het meeste pijn doet.
Monniken in de zevende eeuw
Nieuw is dit niet. Vroeger ging het vaak om godslasterlijke gedachten. Al in de zevende eeuw beschreven monniken hoe ze tijdens het bidden overvallen werden door seksuele beelden van God of van Maria. Men zag het toen als een ingeving van de duivel. Maar ook toen was het advies al: dit is niet je eigen wens, en je trekt het je zo min mogelijk aan.
Dat is makkelijker gezegd dan gedaan, omdat zulke gedachten ongelooflijk krachtig kunnen voelen. Maar het begint ermee dat je de aard ervan begrijpt.
Voorstellingen die ons beschermen
Menno’s verklaring is eenvoudig en bevrijdend. Ons onbewuste maakt voortdurend voorstellingen van wat er zou kunnen gebeuren. Wie op een hoogte loopt, krijgt vanzelf de voorstelling van eraf springen. Niet als plan, maar als waarschuwing. Die voorstelling helpt je juist de weerzin te voelen en afstand te houden.
Hij noemt deze voorstellingen premoreel. “Voordat we iets kunnen afwijzen, moeten we ons er eerst een voorstelling van maken.” Pas daarna komt de moraal: nee, dit wil ik niet. Het is een bewakingsmechanisme voor je lichamelijke en morele integriteit.
Normaal blijft dat onbewust. Uit onderzoek blijkt dat vrijwel iedereen dit soort gedachten wel eens heeft. Maar bij de meeste mensen zijn ze zwak en zeldzaam, een vreemde flits die weer verdwijnt.
Twee dingen die het erger maken
Waarom lopen mensen met dwang hier zo op vast? Menno ziet twee factoren.
De eerste is de reactie. Wie heel angstig en krampachtig op zo’n gedachte reageert, maakt haar groter. Het bekende voorbeeld: denk nu vooral niet aan een roze olifant. Hoe harder je een gedachte wegduwt, hoe vaker ze terugkomt.
De tweede is de gedachte zelf. Menno denkt dat de voorstellingen bij mensen met dwang frequenter, krachtiger en levendiger zijn dan bij anderen. En daardoor ook veel moeilijker te negeren.
Het open riool
Dan het beeld waar dit gesprek zijn titel aan dankt. Menno vergelijkt het met voedsel. Van wat je eet, gebruik je een deel. De rest verlaat je lichaam. Zo gaat het ook met al die onbewuste voorstellingen: een deel kun je gebruiken, en de rest zou ongemerkt moeten wegspoelen.
Bij mensen met dwang werkt dat filter niet goed. Wat normaal onder de oppervlakte blijft, komt in het bewustzijn terecht. “Ik vergelijk het wel eens met een open riool,” zegt hij. “Daar worden mensen niet blij van. Maar ik bedoel ermee: we hebben dit allemaal in ons. Je bent niet anders dan andere mensen. Je bent je er alleen te veel van bewust.”
Een riool zonder putdeksel dus. Wat bij iedereen door de buizen stroomt, ligt bij jou open en bloot.
Niet vechten, niet overtuigen
Wat helpt dan? In elk geval niet vechten. Wat je probeert tegen te houden, wordt alleen maar erger.
Ook jezelf overtuigen werkt niet. Wie zichzelf probeert te bewijzen dat hij het nooit zou doen, merkt dat de dwang altijd een gaatje vindt. “Dwang zegt altijd: ja, maar je wilt het niet onder ogen zien. Er valt niet mee te praten.”
Wat wel helpt, is een zekere onverschilligheid. Menno adviseert dooddoeners, in het Engels mooi conversation stoppers genoemd. “Het is wat het is.” “Zien we dan wel weer.” “Je weet het nooit.” Daar valt niets tegenin te brengen, en precies dat is het punt.
Hij geeft toe dat dit niet makkelijk is, zeker niet als de gedachten over de meest beladen onderwerpen gaan. Aan mensen die gekweld worden door angst om een kind iets aan te doen, zegt hij wel: “Jij zou rustig in een kinderdagverblijf kunnen werken. Jij bent de laatste die het zou doen.” Hij neemt het lijden serieus, maar niet de gedachte als impuls.
Een jonge vrouw vond haar eigen manier. Ze begon haar dwang te bespotten: “Deze had je gisteren ook al. Kun je niet iets beters verzinnen?”
Exposure, maar dan anders
In de gedragstherapie wordt soms geadviseerd de gedachten juist op te blazen: uitschrijven, groter maken, net zo lang tot ze hun lading verliezen. Menno staat daar ambivalent tegenover. “Wat je aandacht geeft, groeit.”
Hij ziet exposure liever als oefenen met onzekerheid. Niet de gedachte zelf opblazen, maar leren leven met het feit dat je het nooit honderd procent zeker weet. “Ja, je weet het nooit. Het zou kunnen.” Daar een soort onverschilligheid aan ontwikkelen, dat is ook exposure. Maar het luistert nauw.
Stoorzenders
Menno kent dit ook uit eigen ervaring. Toen hij een jaar of zeventien was, kreeg hij voorstellingen die hij weerzinwekkend vond, en in eerste instantie dacht hij: wat mankeert mij? Op den duur lukte het hem er geen enkele waarde meer aan toe te kennen.
“Het zijn stoorzenders. Het is niet mijn eigen muziek.” Dat inzicht hielp hem de beelden volkomen te laten passeren. Ook tijdens ons gesprek komen er beelden op, zegt hij, maar hij laat ze meteen weer los.
Hij benadrukt wel dat het bij hem geen hoofddwang was. Voor mensen bij wie het dat wel is, kan het verwoestend zijn. Hij vertelt over een vrouw die haar handen op het stuur ziet liggen en toch het gevoel heeft haar kinderen onzedelijk te belasten. Soms wenst ze dat iemand haar gewoon in de gevangenis stopt, dan is ze tenminste van die martelende onzekerheid af. “Ik vind het een akelige, vernederende, gemene vorm van dwang,” zegt Menno, “waarbij zelfs je eigen innerlijk wordt besmeurd. Mededogenloos dat zoiets bestaat.”
Het onder woorden brengen helpt, zegt hij. Maar het is niet altijd genoeg. Soms is ook medicatie nodig.
Zekerheid bestaat niet, vertrouwen wel
Tot slot zoekt Menno naar iets wat verder gaat dan je nergens iets van aantrekken: kun je ook het vertrouwen versterken? Daar moet je voorzichtig mee zijn, want geruststelling kan zelf een dwanghandeling worden. Wie zegt dat iets nooit voorkomt, krijgt als antwoord: “Maar misschien ben ik de eerste.” En dat klopt ook. Absolute zekerheid bestaat niet.
“De enige absolute zekerheid,” zegt Menno droog, “is dat de dwang altijd een gaatje vindt.”
Maar vertrouwen is iets anders dan zekerheid. Vertrouwen is het risico durven nemen. Leunen op de grote waarschijnlijkheid. Denken: ik kan me altijd nog druk maken.
Hij sluit af met een beeld uit een van zijn lezingen. Een dia van een romantische picknick: een jongen en een meisje op een kleed in de zon. Op de volgende dia staat bij elk detail een vraag. Hebben de eieren geen salmonella? Is de kaas niet over de datum? Worden die jongens in de verte agressief? Zitten er geen mieren op het kleed? Staat het bordje scheef?
Dat is dwang: een picknick waarin elk detail een dreiging wordt.
Een vredig fundament
Hoe kom je aan de grond onder je voeten die vertrouwen mogelijk maakt? Met praten alleen lukt dat moeilijk, zeker bij iets wat zich zo slecht laat overtuigen. Daarom onderzoeken Menno en ik in Het Innerlijke Laboratorium of oefeningen voor aandacht, adem en lichaam een vredig fundament kunnen helpen opbouwen. Niet om de gedachten weg te krijgen, maar om ze te laten passeren. Als stoorzenders, niet als je eigen muziek.
Herken je dit en heb je er last van? Je bent niet de enige, en het zegt niets over wie je bent. Bespreek het met je huisarts of behandelaar. Deze blog vervangt geen behandeling.